William T. Vollmann

18. Europe Central en The Royal Family

William T. Vollmann, Europe Central (2005)

‘De een lijdt en de ander profiteert daarvan’

Kort geleden ontmoette ik William T. Vollmann (1959). Dit was al jaren een wens van me, ik lees zijn werk vanaf het begin (hij debuteerde in 1987 met de bizarre roman You Bright and Risen Angels) en heb het gevoel dat hij bezig is een nieuw voorbeeld te worden voor de schrijfkunst. Hij werkt aan een verpletterend omvangrijk en inhoudelijk geweldig oeuvre dat de randen van de literatuur aftast. Vollmann herschrijft in z’n eentje door middel van een reeks historische romans de geschiedenis van Amerika en publiceert uitvoerige essayboeken over de staat van de westerse cultuur, vooral de Amerikaanse. Zijn zevendelige werk over gebruik en misbruik van geweld Rising Up and Rising Down (2004) is een mijlpaal.

Ik las ook zijn laatste boek, het onbehoorlijk omvangrijke Imperial (ruim elfhonderd pagina’s dundruk tekst, plus tweehonderd pagina’s noten en aantekeningen). Hierin beschrijft hij het grensgebied tussen Mexico en de Verenigde Staten. Het is een volstrekt hybride boek, een echte Vollmann dus. Hij vertelt de geschiedenis van farming in deze gebieden, de strijd om water, de vervuiling, de illegale arbeiders, het kolonialisme. Het is ook een persoonlijke weerslag van zijn gesprekken met mensen daar, gewone mensen, hoeren, grenswachten, boeren, een aaneenschakeling van tragische, vrolijke en rare verhalen. Zo ontdekt hij bijvoorbeeld de ondergrondse tunnels die in de grensstad Mexicali door Chinese immigranten zijn aangelegd zodat ze bij vervolging daar konden schuilen. Vollmann is ook in dit boek niet op zoek naar schuld en onschuld, hij veroordeelt niemand, hij brengt in kaart, demonstreert en legt vast.

Op de achtergrond speelt, niet expliciet, een debat met de oude Amerikaanse filosoof Ralph Waldo Emerson, die ooit een essay schreef onder de titel Self Reliance, te vertalen met een goed Nederlands woord als ‘zelfredzaamheid’, de grote droom van het Amerikanisme: mensen moeten voor zichzelf kunnen zorgen. Vollmann laat zien wat daarvan is terechtgekomen.

Wanneer ik in San Francisco verblijf, besluit ik het erop te wagen, zo’n kans krijg ik nooit meer. Hij woont in Sacramento, ongeveer 180 kilometer van San Francisco. Het kost niet eens zo veel moeite hem te bereiken, ik bel hem gewoon thuis op, krijg hem na een paar keer daadwerkelijk aan de lijn en na wat heen en weer gebel spreek ik met hem af in een Mexicaans restaurant in Sacramento.

‘Bill Vollmann’ is geen gemakkelijke gesprekspartner, het is duidelijk dat hij een sterk en gerechtvaardigd wantrouwen heeft tegen journalisten. Ze willen altijd hetzelfde weten, vertelt hij. Bovendien ben ik zenuwachtig, ik heb last van bewonderingitis, het is dus wel eventjes William T. Vollmann waarmee ik een biertje zit te drinken. Het wordt er in het begin niet beter op wanneer ik hem vertel dat ik waarschijnlijk wel weer met dezelfde soort vragen zal komen aanzetten. Dit vindt hij een goeie grap, terwijl ik het helemaal niet als grap bedoelde, en hij zegt tegen mijn vrouw dat zij dan maar de antwoorden moet geven. Het ijs begint te breken wanneer hij bemerkt dat ik geen journalist ben maar schrijver. En als ik mijn opnameapparaatje uitzet verbetert de sfeer helemaal.

Wanneer had je het gevoel dat je een schrijver was?

William T. Vollmann: ‘Precies weet ik het niet, ik hield erg veel van lezen. Ik las alles door elkaar. Kinderboeken, romans, strips, non-fictie, ik hield ervan in die werelden te verkeren. Ik was wat je noemt een boekenwurm, maar echte keuzes maakte ik niet. Of dit kenmerkend is voor een schrijver weet ik niet. Mijn eerste boek was een sciencefiction-achtig boek, het ging over insecten en elektriciteit. Er valt verder niet zo veel over te vertellen, als je het leest hou je ervan of niet, ik hoopte er maar het beste van. Er kwam een kritiek in The New York Review of Books, geen echt goede maar wel van iemand die dacht dat men van mij wel meer zou horen. Dat was goed gezien.’

Had je een agent?

‘Bij mijn eerste zeven boeken had ik geen agent, dat was niet nodig. Toen mijn Engelse uitgever werd overgenomen door een groter bedrijf hielden die nieuwe uitgevers op veel voor mijn werk te doen. Uiteindelijk kreeg ik de rechten van de boeken terug, de vertaalrechten en alles. Dat kostte me niks, ze gaven ze terug. Het leek me toen beter wel een agent te nemen. In Engeland is het meestal moeilijk een boek zonder agent uitgegeven te krijgen. In mijn eigen land had ik geen agent nodig, het valt wel mee om zonder eentje te werken. Agenten proberen vaak je werk te controleren, daar hou ik niet van. Sommige agenten zijn niet zo goed, ze werken vaak voor een agency, en dan krijg je te maken met subagenten, of zelfs daar weer subagenten van, soms heb je verschillende agenten in verschillende landen, het is lastig om dat allemaal onder controle te houden.’

Doet een agent ook redactiewerk?

‘Nee, ze lezen het boek niet eens, dat hoeft ook niet, soms doen ze wel net alsof, of ze vragen me waar het boek over gaat. Ze kunnen niet te veel tijd aan een boek besteden, dat gaat allemaal van de tijd af voor andere boeken. Ik schrijf mijn boek eerst helemaal af en dan pas stuur ik het op, dat voorkomt problemen. Ik maak geen synopsis of samenvatting. Voor mij werkt dit het beste, ik wil geen bemoeienissen tijdens of voor het schrijven. Dan hebben ze aan mij een goeie, ik trek me niet erg veel van de wijzigingsvoorstellen aan. Soms krijg ik van de uitgeverij het manuscript terug met allerlei verbeteringen en veranderingen die dan voor mij en voor de uitgever beter zouden zijn, en dan zeg ik, ja, best, maar het is toch beter voor ons om geen veranderingen aan te brengen, en dan verzoek ik ze beleefd alle wijzigingsvoorstellen en verbeteringen, behalve spellingfouten natuurlijk, weer te schrappen en alles in de oorspronkelijke staat terug te brengen.’

Critici vinden je boeken af en toe te lang.

‘Ik lees dat ook, maar ik ben het er niet mee eens. Ook mijn uitgevers zeggen het wel eens. Ze denken blijkbaar dat een boek voor kinderen is, dat mensen als kinderen lezen, dus dat het kort moet zijn, met korte zinnen, dat het beter is minder pagina’s te hebben. Ik geloof daar niets van, ik geef lezers gelegenheid het verhaal van verschillende kanten te bekijken, daar is ruimte voor nodig. Ik werk ook met verschillende stijlsoorten in één roman, met verschillende visies, dat kan niet als je je toelegt op een korter boek, dat ik overigens ook wel heb geschreven.’

Je publiceert bijzonder veel, werk je erg gedisciplineerd?

‘Ik werk hard, ik heb veel ideeën en ik werk vaak ook aan verschillende boeken tegelijk, aan verschillende bureaus, net als Freud, die deed dat ook. The Royal Family (een roman uit 2000 van 780 pagina’s over prostitutie in San Francisco – kth) bestaat uit een doorlopend, klassiek verhaal, dat min of meer chronologisch wordt verteld en een paar karakters uitwerkt. Ik werk daarin ook met oude heldengeschiedenissen uit de westerse literatuur, bijvoorbeeld met het Nibelungenlied waarin twee broers om een vrouw strijden. Ook de geschiedenis van Kaïn en Abel speelde een rol bij mijn voorbereiding. Je hebt vast ook wel in de oude Nederlandse literatuur dit soort heldenverhalen, oude riddergeschiedenissen.

Dit soort oude vormen en verhalen lijken uit te sterven, maar ze spoken in de literatuur nog altijd rond, ook in mijn boeken. Oude mythes zijn op een of andere manier altijd waar. In The Royal Family gebruik ik ze bewust, zonder dat het te erg opvalt, dat is de bedoeling niet, ik wilde toch vooral een deel van een Amerikaanse realiteit laten zien. Europe Central (een roman uit 2006 van ruim achthonderd pagina’s over een aantal centrale figuren uit de Tweede Wereldoorlog – kth) is helemaal anders. Dat vertelt een aantal verhalen die af en toe bij elkaar in de buurt komen. De werkelijkheid is meer dan een eenvoudig personage, als je de realiteit wilt omvatten, of bevatten, zul je allerlei verschillende schrijfvormen moeten uitproberen. Ik probeer plezier in mijn werk te hebben, dus moet ik er afwisseling in aanbrengen.’

Je hanteert steeds verschillende stijlen.

‘Ja, ik schrijf stukken die sterk metaforisch zijn, met aan elkaar gekoppelde zinnen die maar door en door gaan. Maar ook korte zinnen en kale, cleane beschrijvingen. En dat in één roman of studie. Ik geloof dat de realiteit sterk variabel is, er bestaat niet zoiets als één realiteit. Ik pas mijn stijl daarbij aan, ik laat de vorm de functie volgen. Dit doe ik niet alleen intuïtief maar ook rationeel, ik zoek een bepaald ritme in mijn werk.

In mijn nieuwe boek zie je dat ook, ik gebruik allerlei stijlen, die van de geschiedschrijving, het reisverslag, de beschouwing, de economische analyse. Vanaf de zeventiende eeuw tot heden. Ik onderzoek hoe het verleden het heden heeft bepaald en hoe het heden onze kijk op de geschiedenis heeft bepaald. Ik heb veel werk gemaakt van de waterpolitiek in dit gebied en van de gevolgen van het kolonialisme. Ik geef daarnaast ook een verslag van de historische achtergrond van de verschillen van de gemiddelde grootte van de boerderijen. Ik werk denk ik met allerlei marxistisch georiënteerde aannames over de economische dieptestructuur en de basis en de bovenbouw, maar ik doe dat niet expliciet. Het bevat veel verhalen van en over de mensen, ook verhalen over mij, maar het is geen fictie.’

Besteed je veel tijd aan onderzoek?

‘Meestal wel, maar ook dat is erg verschillend. Voor Imperial praatte ik vooral met allerlei betrokkenen in het grensgebied tussen Amerika en Mexico. Daar heb ik misschien tien jaar aan gewerkt. Ook bij The Royal Family heb ik eerst veel tijd besteed aan gesprekken met hoeren en pooiers in San Francisco, ik betaalde daar steeds voor. Het duurde eerlijk gezegd behoorlijk lang voordat ik ging schrijven, ik woonde zowat in San Francisco. Bij Europe Central heb ik vooral gelezen, veel biografieën over het werk van Sjostakovitsj, ook zijn werk heb ik bestudeerd, anders kon ik die beschrijvingen ervan niet zo schrijven. Ik heb veel in archieven gezeten. De kunstenares Käthe Kollwitz herinnerde ik me van high school. In de bibliotheek daar zag ik een boek met een paar anti-oorlogs-houtsneden van haar, eentje was die heel beroemde met een moeder en haar stervende zoon op schoot. Een prachtig kunstwerk. Mijn vrienden uit de ddr vertelden me overigens dat ze daar wel erg moe van haar werk werden omdat ze er altijd maar naar moesten kijken. Ik was behoorlijk verbaasd toen ik ontdekte dat Hilde Benjamin inderdaad getrouwd is geweest met de broer van Walter Benjamin. Ze was na de oorlog in de ddr berucht, ze bracht honderden mensen aan de galg, ze stond daar bekend als “de rode guillotine”. Ze was ongetwijfeld erg fout, maar ik vond haar toch interessant. Ik probeerde haar te begrijpen, het is makkelijk om mensen te veroordelen maar soms moet je er meer van afweten om tot een goed oordeel te kunnen komen. Dat soort dingen probeerde ik in Europe Central.’

Het lijkt erop dat je in veel van je werk tegen de geschiedschrijving in schrijft.

‘Misschien is dat wel zo. De geschiedschrijving creëert haar eigen realiteit, iedereen doet dat, iedereen creëert zijn eigen werkelijkheid en die wordt dan weer deel van de realiteit. Historici hebben vaak het idee dat het één min of meer logisch uit het ander voortkomt, dat er altijd een of ander logisch causaal verband bestaat tussen alle feiten en gebeurtenissen. Ik ben het daar niet altijd mee eens. De essentie van geschiedenis is dat de één lijdt en de ander daarvan profiteert. Dat is niet iets noodzakelijks, het blijkt pas noodzakelijk te zijn wanneer alles achter de rug is. Het is moeilijk vast te stellen wat uit materiële zaken voortkomt en wat uit intenties. Ik geloof er helemaal niet in dat de geschiedenis steeds beter wordt, dat er vooruitgang is.

Ik geloof er niets van dat mensen nu gelukkiger zijn dan duizend jaar geleden. Mensen zijn beter opgeleid, ze hebben meer te eten, maar of ze daarmee gelukkiger zijn geworden weet ik niet. In de negentiende eeuw sliepen mensen in de VS gemiddeld negen uur per nacht, nu is dat zeven. En dat terwijl er zoveel werkvervangende apparaten zijn. Ik weet niet wat dan beter of slechter is.’

Ben je sinds je begon met schrijven meer politiek betrokken geraakt?

‘Ja, het wordt sterker en sterker. Ik krijg ook steeds meer het gevoel dat me weinig kan gebeuren, vroeger was ik nog wel eens bang, nu trouwens ook nog wel, maar het wordt steeds minder. Ik heb al heel wat meegemaakt, oorlogsgebieden bezocht, drugs gebruikt, ik ben thuis in heel wat verkeerde stadswijken en ik denk niet dat er nog iets is wat me kan stoppen. Ze kunnen me niet meer langer dan vijftig jaar in de gevangenis gooien, dat heeft geen zin meer. Dat scheelt. Ik schrijf overigens ook boeken waarin die politieke betrokkenheid niet zo erg op de voorgrond treedt, bijvoorbeeld het boek over de treinreizen in Amerika (Vollmann doelt op Riding Towards Everywhere uit 2008 – kth), maar ook daar is het voelbaar. De lezer moet maar bepalen hoe sterk.’

Na afloop van het gesprek loopt Vollmann in de gloeiende hitte mee naar onze auto, een flinke wandeling. Hij vraagt me naar mijn eigen werk en wil weten of ik Multatuli heb gelezen, Max Havelaar, hij vond het erg goed, las het jaren geleden.

Ik vertel hem dat Multatuli ook een mooie studie schreef over gokken, Millioenen-studiën. Hij raakt helemaal enthousiast, bedacht hij ook een sluitend goksysteem?

Ja, dat ook, maar rijk werd hij er natuurlijk niet van. Hij vertelt over zijn huis in Sacramento. Hij kan het zich niet veroorloven een huis in San Francisco te hebben, dat is veel te duur, hier heeft hij een groot huis op een groot terrein. Hij fotografeert en maakt tegenwoordig ook houtsneden, niet voor de verkoop of voor exposities. Hij laat ze afdrukken door zwervers en daklozen die hij op zijn terrein toelaat. Ze slapen er, hij verzorgt ze af en toe, er zijn natuurlijk ook wel problemen. In Sacramento vinden ze dat onbehoorlijk, er is een sterk restrictief beleid tegen zwervers, heel anders dan in San Francisco. Er is hier kort geleden een wet aangenomen dat je mensen niet langer dan twee dagen in je eigen tuin mag laten kamperen. Dus zelfs als zijn kinderen dat doen zijn ze strafbaar. Hij is fel tegen.

Hij vertelt over zijn tijd in Los Angeles, een verschrikkelijke stad die over een jaar of dertig, wanneer de olie op is, veranderd zal zijn in een spookstad. Ik vraag hem of hij religieus is. ‘So so’, zegt hij. Hij rijdt nog een stukje met ons mee in de auto omdat hij een mooie terugweg weet naar San Francisco, die wil hij ons wijzen, dan zie je het echte Amerika. We nemen afscheid. Hij zegt nog dat hij een boek wil schrijven over drugs en drugsbeleid, dan zal hij naar Nederland komen, je hebt bij jullie ook een goed hoerenbeleid, dat wil hij ook wel eens zien en meemaken. We nemen hartelijk afscheid, mijn vrouw krijgt twee zoenen.