VENSTERS OP HET VADERLANDS VERLEDEN

1815: Slag bij Nieuwpoort

Hunebedden, Karel de Grote, Gouden Eeuw; het moet ons weer geleerd worden. Voorafgaand aan de Week van de Geschiedenis vraagt Rob Hartmans zich af: welke methode werkt het best? Jaartallen of een canon?

BIJ DE MOTIEVEN achter de luidruchtige roep om meer aandacht voor de geschiedenis van Nederland kun je vraagtekens zetten, feit is wel dat die geschiedenis in het onderwijs lange tijd verwaarloosd is. Vanaf het einde van de jaren zestig werd ‘vaderlandse geschiedenis’ in toenemende mate gezien als synoniem voor nationalistische indoctrinatie, en nationalisme was een van de wortels van het Kwaad. Bovendien waren progressieve onderwijsvernieuwers van mening dat geschiedenis veel te veel werd gepresenteerd als het verhaal van Grote Mannen die hun roem vooral op het slagveld vergaarden, terwijl vrouwen en ‘het gewone volk’ niet aan bod kwamen. In plaats van dat eindeloze verhaal van oorlogen en staatkundige ontwikkelingen moest er aandacht komen voor het dagelijkse leven van de mensen uit het verleden. Jaartallen en de daarbij behorende ‘feitjes’ – het woord werd meestal met onverholen minachting uitgesproken – waren overbodige ballast. Inleving, inzicht, historisch besef, daar ging het om.
Nu viel er op de ‘vaderlandse geschiedenis’ die ik in de jaren 1965-1971 op de School met den Bijbel kreeg voorgeschoteld inderdaad heel wat af te dingen. Later kwam ik erachter dat het verhaal dat ons verteld werd een product was van het negentiende-eeuwse nationalisme, dat wilde doen geloven dat het Nederlandse volk al sinds de komst van de Batavieren werd gekenmerkt door vrijheidszin, moed, eenvoud, nuchterheid, godsvrucht, doortastendheid en menslievendheid.
Toen ik eenmaal geschiedenis ging studeren bleek alles toch wat ingewikkelder te zijn en werd duidelijk dat er nogal wat zwarte bladzijden waren overgeslagen.

Maar de geschiedenis zoals ik die had leren kennen had een overzichtelijke structuur. In de vierde klas (thans groep zes) was de onderwijzer begonnen met de hunebedbouwers om vervolgens de Romeinen en Batavieren te behandelen, waarna de grote volksverhuizingen en Karel de Grote aan bod kwamen. De erfenis van de laatste, het feodalisme, werd in de vijfde klas behandeld, waarna we ons onderdompelden in de Middeleeuwen om uiteindelijk uit te komen bij het klapstuk: de Tachtigjarige Oorlog en de daarop volgende Gouden Eeuw.
In het begin van het laatste jaar raffelde onze bovenmeester eerst even snel de ‘Franse Tijd’ af, om daarna uitvoerig de weldaden van koning-koopman Willem I uit de doeken te doen. De rest van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werden eveneens in ijltempo behandeld, zodat er meer dan genoeg tijd overbleef voor het heldenepos van de Tweede Wereldoorlog. Hoogtepunt hierbij was de spannende tocht naar de geheime schuilplaats van onze school, waar meester Bouman en diens kameraden tijdens de oorlog wapens en het gestolen bevolkingsregister van de gemeente Wormerveer hadden verborgen. Deze kruiptocht tussen de twee verdiepingen van het schoolgebouw, waarbij je in het halfduister met je gezicht door de spinnenwebben streek, was wat de historicus Johan Huizinga een ‘historische sensatie’ noemde. Via meester Bouman was de afstand tot de watergeuzen en zelfs tot de moedige Batavieren ineens een stuk kleiner.
Aan deze kapstok van de vaderlandse geschiedenis hingen nogal wat kledingstukken die zwaar versleten waren of niet langer om de feiten pasten. Maar die kledingstukken kon je eraf halen en vervangen, terwijl de kapstok gewoon bleef staan. Was Willem van Oranje niet louter de vrome en onbaatzuchtige vrijheidsstrijder geweest die we hadden vereerd? Goed, dan passen we dat aan, net als de verhalen over de watergeuzen. Aan het feit dat de Opstand essentieel was voor het ontstaan van het Nederland zoals wij dat kennen doet dat niets af. Latere generaties schoolkinderen kregen geen kapstok aangereikt maar een ordeloze hoop verkleedkleren. Wat moet je eigenlijk eerst opzetten, het kalotje van Willem van Oranje of die Vikinghelm? Kwamen die Romeinen nu voor of na de Middeleeuwen? Waarom slingeren hier eigenlijk ook Franse uniformen en Spaanse helmen rond?

Het verhaal zoals dat tot pakweg 1970 werd verteld is inderdaad versleten, maar de laatste jaren is wel het besef ontstaan dat er een chronologisch geordend overzicht aangeboden moet worden. Eerst kwam de commissie-De Rooy met het voorstel om tien duidelijk gemarkeerde tijdvakken te behandelen en vervolgens kwam de inmiddels vermaarde canon. Hoe dit alles precies in het onderwijs toegepast gaat worden is nog niet helemaal duidelijk, maar voor de verloren generaties die tussen 1970 en 2005 de basisschool hebben bezocht, komen er tv-series en verschijnen er boeken. De vraag is alleen welk verhaal van het Nederlandse verleden wordt verteld, en hoe dat wordt gestructureerd. Twee nieuwe boeken die een overzicht geven van de hele Nederlandse geschiedenis tonen een duidelijk verschil tussen de tijdvakkenbenadering van De Rooy cum suis en die van de canon.
Han van der Horst, die in 2000 het informatieve Nederland: De vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu publiceerde, vertelt in Een bijzonder land die geschiedenis nogmaals, maar nu aan de hand van de vijftig ‘vensters’ van de canon. Hoewel ook dit boek bijzonder leesbaar is, illustreert het de nadelen van de canon. De vijftig vensters mogen dan weliswaar zo veel mogelijk chronologisch geordend zijn, de canon heeft geen structuur. Het is een foldertje met vijftig bezienswaardigheden, geen stadsplattegrond. De relaties tussen de verschillende onderwerpen blijft tamelijk duister.
Het begrip ‘venster’ leek aanvankelijk een briljante vondst. De commissie-Van Oostrom wilde met de canon geen monumenten oprichten die we klakkeloos moeten bewonderen, maar vensters bieden waardoor we naar het verleden kunnen kijken. Dat klinkt mooi, maar als we de metafoor voortzetten en toepassen op het boek van Van der Horst moeten we concluderen dat we door een stikdonkere toren omhoog klimmen en af en toe ons hoofd uit het raam mogen steken. Bij de meeste vensters kijkt de auteur uitgebreid en in alle richtingen om zich heen, hij moet terug in de tijd kijken, en vaak ook vooruit. Hij moet aandacht besteden aan ontwikkelingen op economisch, sociaal, cultureel, religieus, politiek en militair gebied. Er komt veel aan de orde en over het algemeen geeft Van der Horst een bondig en relevant overzicht van wat er is te zien. Maar dan gaat het luikje dicht en stommelen we in het donker naar het volgende venster. Voor wie al een behoorlijk overzicht over het verleden heeft, is dit best interessant en leerzaam, maar anderen weten vermoedelijk nog steeds niet goed waar zij al die kledingstukken moeten laten.
De ouderwetse benadering met behulp van tijdvakken, zoals bepleit door Piet de Rooy, lijkt toch meer perspectief te bieden. In het laatste nummer van Historisch Nieuwsblad stelt De Rooy niet alleen dat de canon veel te veel wil aanbieden en dat het toch wat lastig is om aan leerlingen van de basisschool uit te leggen wie Spinoza was, maar dat het bovendien ontbreekt aan een ‘dwingende samenhang’, ‘een lopend verhaal’. En het moet gezegd, Verleden van Nederland dat De Rooy samen met Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es en René van Stipriaan heeft geschreven, biedt dat lopende verhaal wél. Waar we bij Van der Horst vijftig keer verwonderd en soms overdonderd om ons heen kijken, worden we hier keurig bij het handje genomen en langs de belangrijkste stromen en kreken gevoerd die samen de delta van onze geschiedenis vormen. Soms in rap tempo (de periode 800-1300 neemt tien bladzijden in beslag) maar in het canonmodel wordt steeds van onderwerp naar onderwerp gesprongen, zodat er nog veel meer buiten beschouwing blijft.
Het boek van De Rooy en anderen begeleidt de gelijknamige achtdelige tv-serie die vanaf 12 oktober wordt uitgezonden en die wordt gepresenteerd door Charles Groenhuijsen. Hoe de tv-serie is kan ik nog niet beoordelen, maar wanneer de lijn van het boek wordt vastgehouden zal de kijker worden geconfronteerd met een veelvormig maar niettemin overzichtelijk verhaal, waarin de grote lijnen veel beter zichtbaar zijn dan in bijvoorbeeld de serie In Europa, die vanaf 23 november hervat wordt.
Natuurlijk zullen specialisten foutjes ontdekken. Zo is het een beetje slordig wanneer over een keizerlijke hofdag uit 1184 wordt geschreven dat er zeventig keurvorsten en vijftigduizend ridders kwamen opdagen. In deze periode waren er niet meer dan zeven keurvorsten en ‘vijftigduizend’ is door een enthousiaste kroniekschrijver waarschijnlijk gebruikt als synoniem voor ‘veel’. Ook is het beeld van het ingeslapen Nederland in het interbellum, dat doordat het buiten de Eerste Wereldoorlog was gebleven de aansluiting bij de Europese cultuur miste, nogal clichématig: ‘Pogingen in verschillende landen om het onbegrijpelijke enigszins artistiek te vertalen, zoals in het absurdisme van Dada, vonden in Nederland nauwelijks weerklank.’ Hier wordt niet alleen vergeten dat Dada ontstond in het eveneens neutrale Zwitserland, maar dat dergelijke artistieke avant-gardebewegingen ook in andere landen slechts door een zeer kleine elite werden geapprecieerd.
Dit zijn echter kleinigheden die niets afdoen aan het feit dat in dit boek juist de ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving helder worden geschetst. Voorbeeldig is bijvoorbeeld de wijze waarop de omslag in de stemming van de bevolking na 2000 wordt samengevat, waarbij het plotselinge in diskrediet raken van het ‘poldermodel’ wordt vergeleken met de wijze waarop rond 1900 de politieke cultuur van liberalisme bezweek onder de aanvallen van confessionelen en socialisten. Ook wordt er terecht op gewezen dat politici en publicisten die hameren op de noodzaak van een versterking van ‘de Nederlandse identiteit’, en het kritiekloos aanvaarden hiervan door migranten, voorbij gaan aan het feit dat het hier gaat om ‘zeer recente verworvenheden in de Nederlandse cultuur’. De volledige gelijkstelling van mannen en vrouwen en de tolerantie ten aanzien van homoseksualiteit zijn ‘eisen die ook nog maar nauwelijks in de autochtone samenleving zijn aanvaard’.
Wanneer het onderwijs in Nederlandse geschiedenis gebaseerd zou zijn op de grote lijnen die in dit boek worden getrokken, ontstaat er een duidelijke structuur en beschikken leerkrachten over een goede kapstok, waaraan ze zelf nog andere verhalen kunnen ophangen.

Han van der Horst, Een bijzonder land: Het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis, Bert Bakker, 713 blz., € 25,-;
Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es, Piet de Rooy en René van Stipriaan,Verleden van Nederland, Atlas, 544 blz., € 39,95;
De tv-serie Verleden van Nederland is deel van een landelijke geschiedeniscampagne waarin onder meer een geschiedenisboek voor kinderen verschijnt, in de Koninklijke Bibliotheek een tentoonstelling wordt gepresenteerd en de basisscholen en pabo’s vijftig canon-filmpjes krijgen