De reizen van Fjodor de kraai

1861

Niet dat ik een oogje had op het zaad dat mevrouw Clara op haar veldje had uitgestrooid. Ik had werkelijk een te volle maag om daar op te azen. Maar toch raapte mevrouw Clara een steen op van de grond en gooide die in mijn richting. Ach, ach, ach… Arme mevrouw toch, dacht ik met medelijden en bleef roerloos zitten. Ik slaakte een kreet van ontroering toen de steen een paar meter voor de voeten van het krachteloze, bejaarde lijf van mevrouw Clara viel.
Het was een mooie dag in mei. Mevrouw Clara wendde haar aandacht van mij af om haar koe naar het weiland te brengen. De koe liep zo snel dat haar eigenares haar met moeite kon bijbenen. Dartel sprong Marie - zo heette de koe - over de spoorlijn die pas af was en waarop nog geen enkele trein had gereden. Mevrouw Clara had iets meer moeite met het oversteken. Ze struikelde over het ijzer en viel op haar kleine handen. Toen pakte ze alweer een steen en begon op het ijzer te slaan.
Het klonk als muziek in mijn oren. Marie de koe dacht blijkbaar hetzelfde. Op het geluid van steen op ijzer begon ik in de lucht met mijn vleugels te klapperen. En die idioot van een koe huppelde in harmonie met het percussiewerk van mevrouw Clara. De oude mevrouw wist niet van ophouden. Ze sloeg zo lang op het ijzer dat er bloed uit haar hand kwam. Zelfs dat belette haar niet. Ze sloeg gewoon door.
Mevrouw Clara was boos op het ding dat ze nooit had gezien, maar waarvan ze wel wist dat het hun leven kwam vergallen. Met moeite had ze onthouden dat er iets voor haar huis ging rijden wat ze een trein noemden. Het zou een reusachtig, lelijk geval van ijzer zijn. Het zou overal waar het reed ongeluk brengen. De koeien die de trein zagen, zouden zo schrikken dat ze onvruchtbaar zouden worden en dus geen melk meer zouden geven.
Ikzelf geloofde er niets van. Die Marie was zo dom dat er geen enkele angstaanjagende gebeurtenis zou kunnen zijn die ze niet in een mum van tijd zou vergeten. Ik had trouwens ook genoeg van de muziek van mevrouw Clara. Ik liet ze daar achter om op zoek te gaan naar het ding dat een trein scheen te heten en waar de boeren over praatten als was het net zo gevaarlijk als de moslims voor de muren van Wenen.
Ik vloog over een rivier waar ze een brug over hadden gebouwd. Over een stad vloog ik waar een groot gebouw stond met een enorme schoorsteen. De rook uit de schoorsteen deed me bijna stikken. Ik vloog ook over een bos waar ik drieduizend en 65 bomen heb geteld die waren gekapt om de weg vrij te maken voor de trein. Net toen ik mijn snavel in een dode rat had gezet hoorde ik hem komen. Ik liet mijn eten voor wat het was en vloog naar de eerste trein die ik zag. Wat was ik verheugd toen ik erop landde en me liet vervoeren.
Daar kwamen we dan aan: de aan de bovenkant zwarte, aan de onderkant honingkleurige machine, haar stoom en ik.
Alle boeren die ons zagen, gooiden stenen naar ons. Je zult het misschien niet geloven, maar het was die ouwe mevrouw Clara die het best mikte van allemaal. Als ik niet op tijd was weggevlogen, had ze mijn mooie en jonge lijf verminkt. Bij het wegvliegen liet ik een veer achter op de trein. En om mevrouw Clara terug te pakken liet ik mijn scheet vallen op het hoofd van haar koe.