De reizen van Fjodor de kraai

1862

Je zou het niet denken, maar kraaien hebben fenomenale oren. Het was dankzij die goede oren van mij dat ik haar hoorde hoesten. Ik was meteen benieuwd naar de vrouw die zo hevig hoestte dat je zou denken dat haar longen uit haar lijf wilden treden. Ik zette een daling in en zag door het raam van de koets haar bleke gezicht. Ze lag op de schoot van de man die haar amberkleurige haren streelde. De paarden stopten niet, de koetsier draaide niet eens zijn hoofd om, een traantje rolde over de wang van de heer die de vrouw liefhad, de vrouw hoestte gewoon door en ik landde op die koets die dag. Wel met een beetje tegenzin, want de wagen reed richting zonsondergang. Ik had me voorgenomen om de andere kant op te gaan.
Die arme vrouw toch, nadat ze nog 33 keer de rijdende koets aan het trillen had gebracht met haar gehoest kwamen haar longen weer tot bedaren. Dat was het moment waarop ze de man vroeg om eerlijk te zijn tegen haar: ‘Ga ik dood, Karl? Iedereen die de tering heeft schijnt dood te gaan.’
Ik keek omlaag de koets in en zag de man zijn liefje van repliek dienen: 'Hou alsjeblieft op met doemdenken lieverd. Je gaat niet dood. En je lijdt helemaal niet aan de tering. Het schijnt tuberculose te zijn. Heeft de dokter niet gezegd dat je beter wordt als we naar Gorbersdorf gaan? Daar is de lucht schoon. Van die heerlijke lucht ga je opknappen. En als dat niet helpt, breng ik je wel naar de Himalaya.’
'Ga je me het vergeven? Ik wil blijven leven om je vergiffenis te verdienen. Ik wil het goed maken.’
Karl zei dat hij haar allang had vergeven, maar zijn ogen spuwden vuur. Hij had haar helemaal niet vergeven. Maar jaloezie is als de sneeuw. Zij maakt geen kans tegen de zon die liefde is, maar haar water zal altijd een weg vinden om te blijven voortleven.
Tussen twee hoestbuien zei ze nog dat ze spijt heeft en dat God haar heeft gestraft met de tering. Karl aaide over haar bol. De grijsblauwe ogen van de vrouw gingen dicht. Ik dacht even dat ze dood was, maar blijkbaar was haar uitgeputte lichaam erg aan slapen toe. Ik zag in de verte Gorbersdorf. De koets reed naar een gebouw dat midden in een dennenbos stond. Ik zag een heleboel mannen en vrouwen op banken zitten die in de schone lucht wilden genezen van hun ziektes.
Toen besloot ik om een paar dagen hier door te brengen en vulde mijn buik met het eten dat de zieken niet naar binnen konden krijgen en dus weggegooid werd. De lucht die voor de mens goed is, kan voor mij niet echt schadelijk zijn, dacht ik.
Met de vrouw van Karl begon het beter te gaan. Althans, dat beweerde Karl. Elke nieuwe dag maakten ze een wandeling in de tuin van het gebouw. En Karl verzekerde de vrouw dat ze aan het genezen was. Hij liet niet alleen de vrouw dat geloven, maar ook mij.
Toen viel de vrouw flauw, kwam niet meer bij en ijlde de hele namiddag over ene Hendrikus. De volgende dag zette Karl het lijk van zijn vrouw in een lijkkist, bond het vast aan het dak van een andere koets en reed ermee weg van Gorbersdorf. Ik stond op de lijkkist, liet me door de twee slome paarden vervoeren en constateerde dat de lucht van Gorbersdorf kut was en dat niet alleen het water van de jaloezie altijd een weg vindt om voort te leven, maar ook de tering. Want Karl begon net zo te hoesten als zijn wijlen vrouw.