De reizen van Fjodor de kraai

1863

Liefdesverdriet maakte dat ik mijn vleugels niet meer voelde. Zonder iets te eten heb ik wel een hele dag gezweefd in de lucht. De wind nam de wolken en mij mee naar het land waar de vrouwen haren hadden die net zo geel waren als de korenvelden. Die zomer wilde ik dood. Terwijl de kraai, die mijn hart in brand had gestoken, geen seconde rekening hield met mijn gevoelens en op alle bedenkbare, zichtbare plekken de liefde bedreef met het grootste leeghoofd onder de kraaien, besloot ik dood te gaan in het land waar de wind mij naartoe bracht.
De wind stopte boven een veld waar kinderen vanuit een gat in de grond naar boven kwamen sluipen. Hun grote, blauwe ogen waren de enige plekken op hun lichamen die niet roetzwart waren. Met die ogen keken ze net zo ontroostbaar als ik keek in die dagen. Omdat ik nieuwsgierig werd door wat ik daar allemaal tegenkwam, besloot ik nog wat langer in leven te blijven en stal een stuk droog brood uit de tas van een van de kinderen. Was het de honger van de afgelopen dagen dat ik nog een keer op die tas belandde of was het brood zo ongelooflijk lekker vanwege het goede graan op die velden? Dat kan ik je niet met zekerheid vertellen. Maar wél zeker is dat ik bleef terugkomen voor dat brood in die versleten leren tas met 31 kleine gaten erin. Ik heb de gelegenheid gehad om die gaten nauwkeurig te tellen omdat bij mijn zevende roofactie de kleine jongen zijn tas vliegensvlug dichtvouwde en mij tot mijn eerste gevangenschap veroordeelde. Hij en zijn vrienden hadden grote lol toen. Door die gaten zag ik ze lachen en huppelen. ‘Zo ga ik dus dood’, dacht ik in die tas en berustte in mijn lot. 'Net voor mijn dood heb ik tenminste kinderen blij gemaakt die het verdriet van alle landen die ik heb bezocht op hun schouders dragen…’
Die avond brachten ze me naar hun dorp waar de meisjes met de graanveldenharen dansten op de ondeugende deuntjes van zigeunermuzikanten. De jongen die mij had gevangen had zich inmiddels gewassen en bleek ook net zo wit te zijn als zijn zussen. Hij en zijn vriendjes lagen in een deuk zodra ik met mijn vleugels klapte in die tas. Ze wisten niet dat ik meedanste op de muziek en dachten dat ik zinloze vluchtpogingen deed.
Ik, Fjodor de kraai, heb die nacht een heerlijke nachtrust gehad.
De volgende ochtend vertrokken we naar het gat in de grond. De jongen nam me mee naar zijn werkplek en liet me daar vrij. Misschien wist hij dat ik 150 jaar zou worden en over de wereld zou verhalen. Hij wilde dat zijn kleine handen niet vergeten zouden worden. Kleine handen waarmee hij de zwarte parel stuksloeg. Kleine handen waar geen bot in de vingers niet gebroken was geweest. Vladimir uit Donetsk was dertien jaar oud maar had de handen van een honderdjarige.
In de mijn heb ik urenlang naar hem en zijn vriendjes gekeken. Het was de dag dat ik besloot om niet in God te geloven.
Zonder het geloof in God, maar wel met de ondeugende klanken van de zigeuners in mijn hart zocht ik de zee op. Op die zee die de mensen de Zwarte Zee noemden, zag ik een stoomboot varen. Ik zag dat ze de stoom met de zwarte parel maakten. Ik landde op de boot en dacht aan mijn vriend Vladimir. De kraai die mijn hart had gebroken en de gedachte aan de dood was ik al lang weer vergeten.