De reizen van Fjodor de kraai

1864

De sneeuw viel naar het donker van de nacht. Ik vloog tussen de sneeuwvlokken en hoopte op licht. Als ik niet snel een dorp of een stad tegenkwam, zou ik bevriezen. Licht zag ik niet, maar wel rook. Ik landde op de rand van de schoorsteen en warmde me daar op. In het huis hoorde ik mensen praten. ‘Hoe zag ze er dan uit, die prinses die zich in je droom aan jou heeft geopenbaard?’ vroeg een zwakke, oude stem.
De jonge stem beschreef zijn prinses. 'Ze had een neus die leek op een hazelnoot, ze had een huid die glansde als rijpe olijven aan de boom. Haar tanden waren parels en haar haar reikte tot aan haar dijen. Wanneer ze lachte smolt het ijs van de bergen hier.’
De zwakke oude stem vroeg of hij een zelfgemaakt liedje wilde zingen. De jongen zong en warmde mijn lijf sneller dan de rook van de schoorsteen: 'O, ik beklom de lemen muur… ik zag mijn geliefde komen… O, jager toch, schiet mijn hertje niet neer… Mijn geliefde kijkt zo mooi als een hertje…’
De oude stem sprak toen het eindoordeel uit en huldigde de jongen officieel tot troubadour, die van dorp naar dorp zou lopen om zijn liedjes te zingen. Zijn reis zou op de dag eindigen waarop hij zijn prinses had gevonden en om haar hand had gevraagd. Gelukkig voor de jongen zei de oude stem ook wie de prinses was die hij had gezien in zijn droom: 'Het meisje heb je zo goed beschreven dat ik weet om welke prinses het gaat. Zij is de zevende dochter van Naser ed-Din, de sjah van Perzië. Vind de prinses en vraag haar vader om haar hand.’
'Wat heb ik dan te bieden aan de prinses?’
'Je muziek van daarnet en de honderden andere liedjes die je onderweg naar haar gaat maken.’
Die nacht ging ik dankzij de schoorsteen niet dood. Tegen de ochtend was ik zelfs even ingedommeld. De sneeuw was blijven vallen de hele nacht. Dat merkte ik toen ik door het gekraak van de buitendeur wakker schrok en erg veel moeite had met opstijgen vanwege de sneeuw op mijn rug. De mensen hadden het vuur van de haard gedoofd en mij aan mijn lot overgelaten.
Het huisvolk liep naar buiten om de jonge vent te omhelzen en hem geluk te wensen op zijn reis naar zijn toekomstige bruid, de zevende dochter van de Iraanse sjah. Aan de rand van het dorp, de voet van een van de duizenden bergen in de Kaukasus, zwaaide de jongen nog even naar de achtergeblevenen. Toen keerde hij voor altijd zijn dorp de rug toe en verdween tussen het wit van de bergen.
Ik kon hem niet zo moederziel alleen laten en besloot hem te vergezellen op zijn reis naar het land waar de pistachebomen groeien op roestkleurige aarde.
We werden in elk dorp met open armen ontvangen. Hij zong in de grootste huizen van de dorpen, vertelde over zijn liefde voor de zevende dochter van de Perzische sjah. Ik wachtte op de schoorstenen op hem. In elk nieuw dorp waar hij arriveerde werd zijn liefde voor de prinses groter. Zo groot dat hij een keer zong: 'O geliefde, mocht ik de hand van een ander vasthouden, dood me dan… Dood me dan.’
Toen we de eerste pistachebomen hadden gezien en hij voor mij onder een boom pistachenoten pelde, waren we inmiddels een jaar en vier maanden onderweg. 'Hoe zou ze heten, rare vogel’, vroeg hij me. Ik kraste op de melodie van een van zijn liedjes: 'Dat is het verhaal van 1865, dat is het verhaal voor de volgende keer, waarde troubadour…’