De reizen van Fjodor de kraai

1865

De troubadour zonder muziekinstrument naderde Teheran in die mooie, aangename julimaand. Een maand waarin niet alleen de pistachenoten aan de bomen aan het rijpen waren, maar ook de rozen de tuin van de sjah rood hadden gekleurd. Natuurlijk had de faam van de jongen de stad eerder bereikt dan hijzelf. Iedereen was nieuwsgierig naar de bergbewoner die onderweg naar de zevende dochter van de sjah ongehoord mooie liedjes had gemaakt en die, om het meisje te zien dat zich in een droom aan hem had geopenbaard, één jaar en vier maanden had gelopen. Vergezeld door een kraai. Een arme jongen die het zeker verdiende om met de zevende dochter van Naser ed-Din te trouwen. Maar er was een probleem: de sjah had slechts zes dochters.
Ik prikte in de delicatessen die door de sjah niet gegeten en dus op de vuilnisbelt buiten het paleis beland waren. Ik dronk van het heerlijke water van de fontein daar. De troubadour had nog een dag te lopen naar de stad waar zijn grote liefde hoorde te zijn. Toen het avond werd landde ik op een walnotenboom en luisterde naar de sjah die gedichten voordroeg die alleen door mij en de schildpadden gehoord konden worden.
‘O lieve prinses met de armen zo wit als katoen en een hart zo helder als water… Ik reik u mijn handen, neem mijn handen, vermeerder ze…’ De schildpadden met de brandende kaarsen op hun ruggen, waarmee ze de tuin verlichtten, bleven ongeïnteresseerd rondlopen. Ik week niet van de zijde van de sjah, hoopte dat hij snel naar zijn slaapkamer ging en met een of andere prinses de zevende dochter maakte.
Maar in plaats van naar een prinses met armen zo wit als katoen te gaan, ging de sjah bij de fontein zitten, nam teugjes van zijn koffie uit Jemen en riep zijn hoofdadviseur bij zich. Hij deelde de man mede dat hij weldra naar Europa wilde gaan. De arme man schrok zich een hoedje. 'Wat heeft u in Europa te zoeken? Geen enkele Perzische sjah is ooit naar Europa gegaan.’
'Ik wil naar Oostenrijk. Ik wil naar prinses Sisi. De vrouw die mijn hart heeft gestolen, zonder dat ik haar heb hoeven zien.’
Ik, Fjodor de kraai, die plannen maakte om binnenkort op de bruiloft van mijn verliefde vriend te zingen, liet het zangwerk maar over aan de nachtegalen daar. De volgende dag deed de troubadour uit de Kaukasus de stad aan. Mensen wilden een liedje horen. Hij zong: 'De wenkbrauwen van mijn geliefde zijn zo zwart als kolen, deze liefde laat me van stad naar stad dolen… Roep geen arts, hij kan niets doen tegen dit liefdesleed, het is de geliefde die mijn hart in stukken sneed…’
Terwijl Naser ed-Din voorbereidingen trof voor zijn reis naar prinses Sisi schroomden de Perzen niet om mijn vriend, wel of niet met een spottende toon, het verschrikkelijke nieuws te melden over de sjah, die nu pas zijn zevende dochter wilde maken, en wel helemaal in Europa. Met ene prinses Sisi.
Was de troubadour verliefd op de prinses uit zijn droom of hield hij van elk nieuw liedje dat hij maakte? Of was hij verliefd op zijn eigen verliefdheid? Ik zat met deze vragen toen ik zag dat hij vastberaden leek om in het kielzog van de sjah naar het westen te trekken, naar de plek waar zijn prinses geboren zou worden. Zij wisten nog niet dat de wind uit het westen altijd zo'n sterke was. Ik wel. Daarom stelde ik mijn eigen reis naar het westen nog even uit en begon aan mijn reis richting zuiden. Ik had echte warmte nodig om de kou van de Kaukasus te vergeten.