De reizen van Fjodor de kraai

1866

Een woestijn overvliegen zou leuk kunnen zijn door de prachtige zonsondergang, ware het niet dat je door honger blind wordt en je geen zonsondergang opmerkt. Ik accepteerde dat ik weldra dood neer zou ploffen op het zand dat de kleur van de verdwijnende zon had aangenomen. Toen zag ik een woestijn die zwart gekleurd was. Bij het zwart was een man neergeknield. Hij had zijn handen in het zwarte, dikke water gedoopt en blèrde als een schaap dat aan het bevallen was: ‘Allah, de almachtige. Wij zijn toch de grootste gelovigen in de wereld. Waarom heb je ons dan bestraft met dit land? Waarom hebben we geen groen? Waarom heb je ons opgescheept met dit vieze, plakkerige vet dat het weinige leven op onze gronden doodmaakt?’
Ik moest snel iets eten in het land waar het water dat boven de grond kwam drijven en de gewaden van de vrouwen zwart waren.
De vrouwen in zwart zaten in een kleine stad bij de aarden ovens brood te bakken. Vrouwen die geen hongerige vogels duldden en mij elke keer met de stokken waarmee ze deeg rolden wegjaagden uit de buurt van het dunne brood. Teleurgesteld in de mensheid, nog meer teleurgesteld in de dadelbomen die nog geen vrucht gaven, droop ik af om op een geschikte plek mijn einde tegemoet te gaan. Lang hoefde ik niet te vliegen om een paar honderd in witte, lange lappen stof gehulde mensen te zien die rondjes om een grote, zwarte kubus liepen. Met mijn laatste krachten wist ik er nog op te landen. Daar op die kubus, wachtend op mijn dood, hoorde ik twee mannen praten. Eentje zei tegen de andere: 'Hoeveel rondjes hebben we al gehad?’ De ander antwoordde dat ze zes rondjes hadden gehad en dat ze nog een rondje moesten doen.
'Zijn we dan volwaardige hadji’s? Krijgen we dan daarna tijdens dit leven en ook in het hiernamaals al het geluk en de rijkdom van de wereld?’
De nestor antwoordde, met een emotionele stem als die van een man die een schat opgraaft: 'Ja, hier en daar gaat Allah ons voortaan zijn helpende hand reiken.’
Ik kon niet anders dan een beroep doen op God. Toen iedereen weg was en de nacht viel over de stad begon ik aan mijn eigen rondjes om de kubus van fluwelen stof. Ik had nog geen vier rondjes gelopen of mijn benen trilden van vermoeidheid, mijn maag huilde van de honger, mijn oogkleppen wilden dicht. Hypocriet als ik was hoopte ik op een wonder in het oord van de pelgrimage. Als mijn maag een beetje eten in zich had, had ik wel kunnen overgeven van de walging die ik voor mezelf voelde. Nog niet zo lang geleden had ik God de rug toegekeerd in een kolenmijn en nu smeekte ik God om in leven te blijven.
De vijfde ronde was de moeilijkste. Toen ik met de zesde ronde bezig was ging het beter. Nog anderhalf, nog een, nog een halfje, bijna klaar, kom op, nog een paar stappen…
Geloof het of niet, na de zevende ronde om de kubus kreeg ik weer kracht in mijn vleugels en steeg ik op. Ik vloog rechtstreeks naar een van de aarden ovens waar een stuk brood wachtte op een stelende vogel. Ik pikte het brood en landde ermee op de kubus.
Met een volle maag was het makkelijker denken. Ik, Fjodor de kraai, besefte toen dat mijn pelgrimage meteen ongeldig was geworden vanwege de diefstal van daarnet. Maar ik zat er niet mee. Fjodor had Allah belazerd en vloog naar het zwarte continent, om nooit meer terug te keren naar het land met het zwarte, plakkerige water.