De reizen van Fjodor de kraai

1867

Die mannen met de sierlijke, lange benen waren gemaakt om te wandelen. Ik was moe, wilde na het oversteken van de zee op adem komen en landde op een van de vette koeien van de kudde van deze mannen. Het hoge land zag wit van de kamille, de kudde was tevreden en de mannen met hun blote benen en voeten floten af en toe dreigend naar de koeien. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat wandelden ze. Heuvel op, heuvel af. Hun grote, witte tanden glansden in de zon. De zon hield van hun zwarte huid. De zon deed verliefd, op de dag dat ik ten zuiden van de hoorn van Afrika neerstreek. Het land dat ze tegenwoordig Somalië noemen.

Toen ik er kwam hadden de schepen al aangemeerd.

Ik sliep op het gras van een van de hutten daar. In de hut heerste de stilte van het verdriet en de angst. Eerst werden de dorpelingen wakker. Daarna de scheepsmannen die zo te zien goede vrienden waren geworden met die dorpelingen.

Het meisje Sarah snikte. De scheepsmannen waren op die alweer zonnige dag net zo onwetend als ik. Het meisje Sarah had nog wittere tanden dan de herders. De scheepsmannen verkeerden in de veronderstelling dat er een bruiloft gehouden zou worden en verheugden zich op het feest. De dunne, sierlijke benen van Sarah trilden van angst. Ik zag zelfs dat een paar tranen van haar op haar benen vielen.

Ik steeg ten hemel, zo hoog als mijn vleugels konden. Ik zag in de verte de oceaan. Pas toen kon ik weer verder leven, omdat ik zag dat de oceaan groter was dan de pijn in mijn hart. De scheepsmannen konden niet vliegen, dus heeft hun hoofd een brief geschreven naar het moederland Italië. ‘Laten we een leger sturen naar het zuiden van Somalië. Misschien kunnen we de meisjes redden’, zo stond in de brief.

De schepen vertrokken weer. De boeren reten met een ploeg de velden open. Ze gooiden graan in de omgeploegde aarde. Toen ze klaar waren gingen ze naar hun hutten om te eten. De zon scheen wel nog steeds, maar was niet meer verliefd op de zwarte huid van de wandelaars.

Sarah het kleine meisje bloedde. Ik kon haar verse bloed ruiken. Achttien dagen lang heb ik bijna niets gegeten. Toen Sarah doodging aan haar wond steeg ik weer ten hemel, keek naar de oceaan en wist dat de pijn in mijn hart groter was dan de oceaan.

De wandelaars hebben haar begraven en hebben gebeden voor een plek in het paradijs voor haar. Met hun lange, sierlijke benen liepen ze terug naar hun hutten. Het gesnik van de vrouwen ging de volgende dag nog door.

De Italianen kwamen maar niet. Na Sarah zetten ze het scherpe mes in het mooiste vlees van twee andere meisjes. De roekeloze messen sneden dieper in het vlees onder hun onderbroeken dan de ploeg sneed in het droge land.

Huilend heb ik het graan in de omgeploegde grond opgegeten, ook al had ik geen trek. Iets anders kon ik niet uitrichten. En de Italianen kwamen maar niet om de meisjes te redden. Duurde de reis van Italië naar de hoorn van Afrika dan zo lang? Waren de Italianen de meisjes vergeten? De Italianen zagen er niet uit alsof ze de meisjes konden vergeten. Ik besloot toen zelf naar het land van de scheepsmannen te gaan.

Sarah had de mooiste prille borsten die ik had gezien. Ik vertrok, hopend dat de zon de wandelaars nooit zou vergeven. Ik was toen jong en naïef en dacht dat de scheepsmannen terug zouden komen om enkel de meisjes te helpen.