De reizen van Fjodor de kraai

1868

In het land waar ooit de kiem is gelegd voor het nieuwe ontwerp ‘mens’ zag ik een bij die stervende was. Om een einde te maken aan zijn lijden heb ik de bij doorgeslikt. Dit gebeurde in het jaar waarin er zoveel water in overvloed was dat het leven als het ware uit de grond schoot. Ik passeerde weiden en bergen die donker groen waren gekleurd, ik zag dieren die zo blij huppelden dat je het idee kreeg dat ze een miljoen jaar zouden leven. Ik zag rivieren die trots hun water lieten zien. Daarom begreep ik de bij niet die stervende was en strafte hem eigenlijk ook omdat hij me in deze vruchtbaarheid aan de dood had doen denken.
Ik was toen piepjong en wist uiteraard niet dat de vrouw die de mensheid uit haar vagina had geworpen in dit land onder de grond lag. In alle onnozelheid vloog ik over haar botten en landde op een bouwwerk hoog in de rotsen.
Binnen was het doodstil. Ik spitste de oren, geen gepraat en geen gezang. Toen ik voor de grote deur neerstreek en deed alsof ik op zoek was naar eten zag ik de aan de muur getekende afbeelding van de blote man met het kruis. Nu wist ik het: de zwarte mannen van het land Ethiopië hadden op een zelfs voor mij te hoge berg een kerk gebouwd. Een kerk die zo weggestopt was tussen de rotsen en zo moeilijk te bereiken was dat je zou denken dat ze de tekening van de 'zwarte man aan het kruis’ geheim wilden houden.
Ik heb altijd liever een lege kerk dan een volle. Daar in de kerk waar Jezus zwart was, maakte ik een korte wandeling en constateerde dat hier bijna niemand kwam. Het hele bouwwerk was dus voor mij alleen. Een kerk waar ik niet lastiggevallen zou worden terwijl ik op zoek zou gaan naar de spiritualiteit in mij. Een kerk waar de profeet aan de muur net zo zwart was als ik.
Op de derde dag van mijn mislukte reis naar mijn spirituele kern gaf ik er de brui aan en besloot op zoek te gaan naar ander eten dan de amandelen van het plateau onder ons. Op die derde dag, net toen ik weg wilde vliegen, zag ik de twee jongens naar boven klimmen. Twee jongens vervuld van leven, net zo gezond als pas geboren herten. Twee jongens die zonder angst hand in hand de smalle weg langs de rotsen beklommen, hun ruggen tegen de berg duwden om niet te vallen en tijdens de klim geen moment uitrustten. Toen ze de vlakke grond bereikten waar ik doorgaans mijn amandelen at, lieten ze elkaars handen niet los. Hand in hand liepen ze de kerk in, baden samen, huilden samen. Toen ze elkaar begonnen te kussen met hun mooie, vlezige lippen was het bijna avond.
Die nacht hebben ze voor de deur van de kerk doorgebracht. De hele nacht kermden ze van genot. Met de dageraad zong ik voor ze.
Mijn gezang was nog niet afgelopen of een stuk of twintig man begon aan dezelfde klim. Die hadden knuppels bij zich. De twee jongens zagen de mannen en sprongen naar beneden. Ik probeerde ze nog te redden in de lucht, maar ze waren te zwaar voor mij.
In het land waar de eerste moeder ooit amandelen heeft gegeten waren de mannen met de knuppels content. Ze gingen weg en lieten de kerk weer aan mij over. Ik doopte deze kerk Abuna Yemetah Guh, wat in de kraaientaal betekent: 'Twee zonen van mama sprongen hier naar beneden.’ Daarna vloog ik weg van mama.