De reizen van Fjodor de kraai

1869

Bij het water luisterde ik naar het ruisen van de wind in de palmbomen en naar de tjirpende krekels. Mijn beschutting tegen de wind was de rug van een kameel die drie weken had gelopen, zonder dat hij enig idee had over de bestemming. In de maand april, een maand waarin het water over de oevers van de rivier was getreden, waren we er om alle wezens het leven te redden. Hoe verklaar je dat mensen en kraaien weldaden verrichten? Maar nog onbegrijpelijker voor mij was dat ook het water goed was. Ik zag in die laatste dagen van april dat het water zijn best deed om de woestijn zo ver mogelijk te bereiken om er leven te brengen. Puur uit goedheid, zonder er iets voor terug te verlangen.
Ik baadde in het water van de Nijl, dronk ervan en voelde me gelukkig. De oude man die net als ik ook de rug van de onnozele kameel had gebruikt om zich te beschermen tegen de wind stond even na mij op en opende zijn grote handen naar de hemel en begon te prevelen: ‘Heer van de vissen, jij doet dat trekvogels zuidwaarts gaan… Er is geen vogel die terugkeert in de tijd van de hete wind… Die gerst maakt en tweekoren doet ontstaan, die de tempels rijkelijk voorziet… Wanneer jij treuzelt, dan is de neus verstopt, dan is iedereen arm… Als men de offers vermindert, dan komen miljoenen om onder de mensen…’ De oude man sloot zijn preek af door zijn gezicht - getekend door wind, zon en verdriet - in het groene water te wassen.
De vier lange mannen met alle vier haakneuzen (misschien waren ze wel broers) letten erg goed op de handelingen van de oude man. Een van hen maakte aantekeningen. Een ander zei tegen degene die aantekeningen maakte: 'Misschien is hij wel de laatste mens die nog in de god Hapy gelooft. Thuis even checken wat die allemaal heeft gezegd daarnet.’
Toen de Egyptenaar klaar was met bidden en de vier mannen brood met wat kaas hadden genuttigd hervatten ze hun reis. En ik… ik maakte rondjes boven ze. Ik was bang dat ze dit heilige water iets zouden aandoen en was bereid om in dat geval hen in de haren te vliegen.
De oude man bracht ze naar een delta waar het water zijn hoogtepunt van schoonheid bereikte. Een hert dronk water uit de rivier. De oude man mikte met zijn pijl en boog op het hert en miste. Het hert maakte zich uit de voeten. En de oude man zei tegen de mannen die hij begeleidde: 'Jullie zijn Engelsen. Daarom hebben jullie geen idee. Als ik een dezer dagen geen offer breng aan Hapy wacht ons een vreselijke toekomst.’
De Engelsen luisterden niet meer echt naar de oude man. Die hadden alleen oog voor het prachtige water. Eentje zei tegen de anderen: 'Hier zou een stuwmeer moeten komen, heren. Wat een goede plek voor een stuwmeer.’
De oude Egyptenaar mikte op een haas. Weer zonder succes. Daarna vestigde hij zijn aandacht op de ganzen die op het water vreeën. De oude kon de klus maar niet klaren, keek naar de hemel om zich te verontschuldigen bij Hapy en zag toen opeens mij. De vrucht van zijn beste schot miste mij op een haartje na en belandde in het water.
Ik kraste naar die ouwe dat hij op de Engelsen moest schieten. Toen keek ik naar boven en zag Hapy kwaad kijken omdat er nog steeds geen offer was gemaakt. Het heilige water zou in een gevangenis belanden, dat stond vast. Maar aan mij lag het niet. Ik vloog door en merkte dat ik nog steeds trilde door de bijna-doodervaring.