De reizen van Fjodor de kraai

1870

Een goede koning onderscheidt zich door de mate van zijn geduld. In Egypte bleef ik langer dan ik gepland had omdat het niet makkelijk is om weg te gaan bij een koning die niet alleen geduldig is maar ook zijn onderdanen rijkelijk voedt. Ik heb het over koning Ekheto. Een koning van wie de kroon een zelf gedode slang op zijn hoofd was. In zijn tas droeg hij een stierenstaart. Wanneer de revolutie zich had voltrokken zou hij de stierenstaart uit zijn tas halen en die aan zijn achterwerk vastbinden. Ekheto zou op die mooie dag uiteraard een gevolg van miljoenen hebben, maar toen hij lopend van het zuiden naar het noorden ging, was ik zijn enige onderdaan.
Een koning die in de nachtelijke uren vuur maakte en altijd tegen dat vuur praatte: ‘Ze zullen hun verraad duur moeten bekopen. Wanneer ik eenmaal mijn troon heb bestegen, zullen ze er achter komen hoe machtig een Farao is.’
Koning Ekheto donderde, hij wilde elke nacht bliksems laten inslaan, zijn dunne handen beefden door het onweer in zijn hart, maar ik wist dat mijn ineengekrompen voeder een zachtaardig mens was, die wanneer hij eenmaal de macht had verkregen alle Egyptenaren zou vergeven.
Ekheto was een koning die zestig jaar lang met veel geduld had gewacht op het keren van het tij. Maar in plaats van dat zijn ontspoorde volk hem zijn macht teruggaf, haalden zijn mensen nieuwe buitenlandse mogendheden binnen. Alsof de Turken niet genoeg waren, spanden ze samen met de Fransen.
Mijn koning had weer eens de nacht verlicht met vuur dat niet sterker kon zijn dan het vuur in zijn zwarte ogen. Hij mompelde met moeite, alsof hij zich schaamde voor de woorden die hij uitsprak: 'Ze gaan deze keer echt te ver, kraai. Ik hoorde dat ze vorig jaar een kanaal hebben gebouwd in mijn land. Zonder de toestemming van hun Farao hebben ze mijn land in tweeën gehakt. Wat moet ik tegen mijn voorouders zeggen in het hiernamaals? Ze gaan me geheid vragen waarom ik het niet tegen heb gehouden.’ Onderweg naar het kanaal, dat mijn Farao koste wat het kost wilde zien om te bedenken wat hij er tegen kon doen, deden we veel dorpen aan waar de kinderen stenen gooiden naar de koning omdat op zijn hoofd een dode slang rustte. De Turkse soldaten, de Franse soldaten, de Egyptische politie, drie vrouwen die hem voor een duivel aanzagen, zeven boeren die dachten dat hij ongeluk zou brengen en een zwangere bruid die vreesde voor een miskraam hebben mijn koning geslagen onderweg.
Ik deed niets om hem te beschermen en daar schaam ik me nog altijd voor.
Maar Ekheto was geduldig. Hij zette zijn reis voort, om op een koude decemberdag te ontdekken dat hij verdwaald was en in plaats van naar het Suezkanaal naar de graven van zijn voorouders stond te kijken.
Die nacht maakte hij zijn grootste vuur en ging bij een van de piramiden zitten. Nadat ik mijn buikje had gevuld met de resten van een kip die hij in de stad Caïro had gestolen, besloot ik na twee Egyptische vette jaren vaarwel te zeggen tegen het land van de Nijl. Ik wist namelijk dat Ekheto een goede, geduldige koning was die, kracht puttend uit de graven van zijn voorgangers, vroeg of laat de Turken, de Fransen en de Engelsen zou wegjagen om zijn volk naar vrijheid en voorspoed te leiden.
Mijn Farao had geen fut meer om naar het kanaal te gaan dat als een dolk was in zijn rug. Ik ging wel even kijken en zag de schepen varen. Het onweerde boven Egypte, het donderde, de bliksems sloegen in. Ekheto ziedde werkelijk van woede.