De reizen van Fjodor de kraai

1871

Het hoofd dat voor mijn snavel rolde was van een man met een stoppelbaard, een krachtige snor en met ogen die de kleur van de zee daar in de buurt hadden overgenomen. Dit hoofd, dat net van het lijf was gescheiden, praatte met zijn laatste krachten tegen mij. Het zei: ‘Een kraai is dus het laatste wat ik ga zien in deze wereld. Dat had ik niet kunnen bedenken, zeg. Verdomde Fransen. Kraai, ik zal het licht missen. Was mijn strijd voor niets?’
In Oran in Algerije liet het licht het grote mes, dat keer op keer naar beneden kwam om hoofd en lichaam te scheiden, glinsteren. Ik steeg op en landde op het ding. Zo had ik een beter zicht op de heuvel in de verte. Ik kon niet meer naar spetterend bloed kijken en vloog naar de man die een rotsblok de heuvel op duwde.
Gelukkig voor de man was het rotsblok rond, daardoor had hij het iets makkelijker. Ik landde op het blok en keek hem met vragende ogen aan. De tengere man keek als een duizendjarige, zuchtte en sprak: 'Ach, kraai toch. Kom je mij gezelschap houden? Kijk uit voor de Fransen. Straks geven ze jou ook de levenslange straf om een rots de heuvel op te duwen. Die verdomde Fransen toch.’
Eenmaal op de heuvel liet hij het blok los zodat het ding naar beneden rolde. Daarna rende hij zelf ook naar beneden, om de rots weer de heuvel op te duwen.
In Oran geen gebrek aan spanning en gekkigheid. Ook geen gebrek aan was die uit de balkons en de ramen hing. Onder de was waren ook de onderbroek en de sokken van een jongeman die op het balkon zat om met een vriend thee te drinken en sigaretten te roken. Deze jongeman heette Lucien en had net als ik de hele dag naar de executies en de man met het rotsblok gekeken. Tegen die vriend van hem zei hij: 'Ik snap er niets van, vriend. Wat wil deze stad ons leren? Wat is de zin van het leven? En wat doet deze kraai hier?’
Op elke vraag komt ooit wel een antwoord. Oran rook in die zomer naar dood en foltering. De mensen van de stad hadden geen tijd om na te denken over belangrijke vragen. Degene die het antwoord wist op de vragen van Lucien was in die zomer van 1871 vocht in de ballen van diezelfde Lucien met de achternaam Camus.
Ik at in Oran nog wat ratten die een natuurlijke dood waren gestorven en niet aan de pest. Met een overvolle buik is het moeilijker vliegen, maar toch ging ik naar de man die het rotsblok naar boven duwde. Er was niets veranderd. Hij had geen gratie gekregen en zou het ook nooit krijgen.
Als ik had geweten dat de man die het blok duwt niets anders deed dan een portret maken van het menselijke bestaan had ik hem kunnen troosten. Ik had het hoofd ook kunnen troosten door het te zeggen dat zelfs in dit nutteloze bestaan, dat niets anders is dan eeuwig een rotsblok de heuvel op duwen, men toch dient te strijden.
De zon scheen niet meer op de stad die door de bekendste pestepidemie aller tijden getroffen zou worden. De man van de antwoorden, de man die 'de pest’ creëerde was nog vocht in de ballen van die Lucien. Zonder de juiste goede antwoorden op de belangrijke vragen vloog ik weg. Voordat ik richting zee vloog, hoorde ik het rotsblok naar beneden rollen. Ik kon de veroordeelde niet meer zien, maar wist dat hij achter de rots aan holde.