De reizen van Fjodor de kraai

1874

De slimste onder de paarden heb ik in de stad leren kennen die rook naar brand.
Toen ik op een regenachtige dag in deze stad arriveerde werd ik onthaald door de stank van de brand die duizend jaar geleden had gewoed. Niets smaakte goed in deze stad. Alle weggegooide pasta, al het vlees, al het brood en zelfs de wormen die ik vond lieten een vieze smaak van aangebrand eten achter op mijn tong.
Op diezelfde regenachtige dag raakte ik aan de praat met een stel paarden die bij de brandweer zaten. Ik vroeg ze of ze ook vonden dat het eten hier naar as smaakte. Ze knikten bevestigend met hun hoofd en verwittigden mij met de volgende woorden: ‘Het heeft te maken met de brand van duizend jaar geleden. Toen was er geen brandweer die het vuur kon blussen. Waarom denk je dat we bij de brandweer zitten, beste Fjodor de kraai?’
Ik nam afscheid van de slimme paarden en ging op zoek naar een mooie schuilplaats tegen de regen. Ik landde op een van de ramen van de grootste kerk die ik in mijn hele leven heb gezien. Daar hoorde ik mensen plannen maken. Mensen die niet eens wisten dat de regen de duizendjarige brandstank niet kon wegnemen omdat de druppels uit de lucht geen water waren, maar het piesen van de weergod.
Een van die mannen zei tegen een andere: 'We moeten snel zijn. Ik hoor dat ze iets nieuws hebben bedacht. Ze hebben het de naam brandweer gegeven. Zodra de regen is gestopt ga ik onze mannen opdracht geven om die tempel van de goddelozen in de as te leggen. Straks is het te laat.’ De andere man antwoordde: 'Wees maar niet bang. De koerier bij de brandweer is onze man. Zodra de regen is gestopt zullen de vlammen net zo groot zijn als het vuur in de hel.’
Toegegeven, ik had toen geen benul van de tempel waar de goden werden aanbeden. De paarden vertelden me erover. De weergod was inmiddels uitgeplast en ik ging een kijkje nemen in die tempel die het Pantheon heette. Nadat ik hem had gezien kon ik niet anders dan weigeren om in een enkele god te geloven. Ik werd verliefd op elke steen, op elke zuil, op de koepel en op de dode schilders die onder de grond van deze tempel lagen.
Fjodor is geen Fjodor als hij niet, met gevaar voor eigen leven, stenen op de brandstichters gooit. Maar toegegeven; de stenen die ik met mijn snavel op de hoofden van de barbaren gooide waren niet genoeg om ze tegen te houden.
De straten van Rome waren smal en de allereerste ruiter bij de brandweer van Rome was een verrader, maar ik en die slimme paarden bij de brandweer waren niet van plan om ons gewonnen te geven. Ik vloog direct naar de paarden van de brandweer die door hun baas bijna in onmogelijke straten gereden werden. Ik kraste ze naar het juiste pad, de verrader met de zweep werd gek van woede, maar uiteindelijk lukte het ons om bij de tempel te komen. De mannen konden niet anders dan het vuur blussen.
Een week later begon het weer te regenen. Ik babbelde weer eens met die slimme paarden van de brandweer. Een van hen merkte op dat het eten niet meer naar as smaakte. Ik vond dat ook. De heerlijke spaghetti zou me dik maken, dat voelde ik wel aan. Een ander paard zei: 'Het regent anders dan het in de afgelopen duizend jaar heeft geregend.’ Toen zei ik iets heel doms: 'Misschien plast de weergod niet meer op de stad waar ze zijn tempel in de fik hebben gezet.’