De reizen van Fjodor de kraai

1875

Ze sprongen van de kerktorens. Een jaar waarin het delirium zich in elke stad waar ik kwam tenminste in het hoofd van één man had genesteld. Ze keken tijdens het springen zo verschrikt naar mij dat ik om hun blikken te vergeten snel naar een andere stad verkaste. Om dan ook in die stad te zien dat alweer een man van een kerktoren sprong.
Ik zag de mannen met hun vleugels die ze van linnen stoffen en dunne stokken hadden gemaakt en wachtte op de grond op ze. Om, op het moment dat ze niet meer ademden maar wel het witte licht zagen, in hun oren te krassen: ‘Een valk met een kap vliegt ook in de hoogte. Het gaat erom niet geblinddoekt te zijn door je eerzucht. Niet op de grond en ook niet in de lucht.’
In dat jaar vertoefde ik vooral in de Franse streken en zag ik alleen al zeven Jean Pierres van de kerktorens springen. Een van die Jean Pierres had zelfs voor het springen zijn beste pak aangetrokken omdat die tijdens zijn huldiging door de burgemeester goed voor de dag wilde komen. Al zijn stadsgenoten die met grote opwinding op het spektakel wachtten, zagen hem met vleugels van satijn neerploffen en wisten de eerste minuten niets uit te brengen. Uiteindelijk zei een neef: 'Ik zei nog tegen hem dat hij eerst moest afvallen. Met een paar kilo’s minder was het hem wel gelukt om te vliegen.’
Ik ben nu 150 jaar oud, maar op mijn vijftiende wist ik al één ding zeker. En dat is dat niet de brandende eerzucht de beste werken voortbrengt, maar de lijdende ziel. Het verdriet is voor de zielen wat sodameren voor zwemmende kinderen zijn. De kinderen hebben in het meer gezwommen en gespeeld. En zonder dat ze het in de gaten hebben blinken ze roze van schoonheid.
In het jaar 1875 kon ik de doden met de vleugels van stof niet meer zien en begon ze na een tijdje op die kerktorens aan te spreken. Ik kraste zo goed als ik kon: 'Weet je wel zeker dat je genoeg verdriet hebt gehad in je leven, want voor dit allerbeste werk dat je wil verwezenlijken moet je zoveel geleden hebben dat zelfs de Schepper door je verdriet gehuild moet hebben.’
Ze bleven springen. Met in hun ogen de blik van de moordende wens van roem.
Het was een winderige dag in de maand oktober toen ik in de Elzas arriveerde. Rond de kathedraal in Straatsburg ging ik op zoek naar eten en hield met een oog de toren in de gaten. Die werd de hele dag door geen man met vleugels beklommen. Ik had genoeg doden gezien en was blij dat me tenminste hier een vreselijke valpartij bespaard bleef.
In de nachtelijke uren zag ik opeens een jonge gast op de toren staan. Hij had geen menigte onder de kerk verzameld. Geen burgemeester die beneden op het succes wachtte. Zelfs de straathonden hadden geen weet van zijn plannen. Ik vloog naar hem toe en vroeg hem of hij wel genoeg verdriet had gehad. Hij antwoordde dat niet alleen de Schepper vanwege zijn verdriet had gehuild maar zelfs de sneeuw van de berg Ararat daarom was gesmolten.
We vlogen die avond samen boven de wijngaarden van de Elzas. De straathonden wisten niet van ons vliegen, de valken met hun kappen uiteraard ook niet. Hij blonk zelfs in de nacht, zo schoon was hij door zijn verdriet, zo schoon als de kinderen in de sodameren. Toen landden we bij een beek. Daar nam ik afscheid van de eerste mens die had gevlogen en aan niemand over zijn meesterdaad heeft verteld.