De reizen van Fjodor de kraai

1878

Een schip meerde aan in Barcelona. Een mooi schip waar ik wel mee zou willen reizen. De havenarbeiders sjouwden de vracht naar buiten. Ik zag de sjouwers een houten kooi naar buiten brengen. Er lag iets in die kooi.
Een lange, ondervoede man met zijn pet in zijn trillende handen keek de kooi in en bracht met trillende stem uit: ‘Miguel, Miguel, ben jij het? Leef je nog, lieve broer?’ De oogkleppen gingen zo langzaam omhoog als de achter de bergen opkomende zon. Het waren de bruine ogen van de halfdode Miguel. De man in de kooi kermde: 'Lieve broer, de Cubaanse rebellen hebben olie over me heen gegooid en hebben me in brand gestoken. Ik heb de hele reis lang naar aangebrand vlees geroken. Maar ik heb volgehouden, lieve broer, want ik wil ons dorp nog een laatste keer zien.’
De broer van de in Cuba in de fik gestoken Spaanse soldaat viel flauw op de kade. De verbrande soldaat niet. Hij was half dood, maar niet helemaal. Hij wilde zijn dorp nog een keer zien.
Ik wil niet vertellen hoe Miguel schreeuwde van pijn toen de huilende broer hem met de hulp van een paar havenarbeiders uit de kooi haalde en op een bed op zijn paardenwagen zette. Laat ik daarover maar zwijgen.
Met de paardenwagen reed de broer van Miguel over de Ramblas in Barcelona. Ik stond naast het ziekbed van Miguel, zag de uit elkaar gevallen huid van de soldaat. Delen van zijn uniform zaten nog vastgeplakt aan het bijna weggebrande vlees. Ik kon de botten van zijn vingers zien. Maar ik vloog niet weg. Miguel weigerde om dood te gaan, waarom zou ik dan wegvliegen?
De broer van Miguel reed zijn wagen de stad uit en reed tussen de gele graanvelden. De zon scheen recht in het gezicht van Miguel en bezorgde hem nog meer pijn. Met mijn snavel heb ik een doekje over zijn gezicht gedaan. Ik zag Miguel glimlachen. Tegen de middag parkeerde de nog steeds snikkende broer van Miguel de kleine wagen onder een grote boom. Hij haalde brood en kaas uit zijn tas en vroeg aan Miguel: 'Wil je iets eten, broertje, ik heb brood bij me…’ Miguel kreunde dat hij alleen fruitsap naar binnen kon krijgen. De broer van Miguel ging toen citroenen plukken in de buurt. Hij perste de citroenen uit in een kom. Toen proefde hij eraan en vond het te zuur smaken. De broer van Miguel rende toen naar het dichtstbijzijnde huis, klopte op de deur en smeekte om een beetje suiker. Die kreeg hij van een barmhartige vrouw. De suiker mengde hij met het citroensap en liet Miguel eraan proeven. Miguel lustte het wel. Uit de handen van zijn broer dronk hij de hele kom leeg en zei: 'Het gaat erom dat je er suiker in kunt doen als je aangewezen bent op citroensap.’
Suiker in het citroensap was na die dag het enige wat Miguel wekenlang naar binnen kon krijgen. Toen het jeuken aanving en zijn wonden begonnen te genezen dronk het hele dorp van het citroensap met suiker erin. Ik proefde er ook een keer aan en wist dat de hele wereld dit sap zou opdrinken. Want Miguel had het goed gezien: de mens die van citroensap limonade wist te maken kon zijn dorp niet alleen een laatste keer terugzien, maar er ook in gaan wandelen. Zoals de verbrande Miguel drie maanden later deed.
En ik, ik vloog weer naar de haven om van daaruit te vertrekken naar Cuba, het land waar ze Miguel in brand hadden gestoken.