De reizen van Fjodor de kraai

1879

Het schip dat Miguel naar zijn moederland had gebracht was toen ik in Barcelona was gearriveerd al weer weg. Onderweg naar Barcelona had ik een mollige dame horen zeggen dat wie de beste verhalen vertellen de bazen zijn in deze wereld. Hoewel de oceaan groot leek en het schip dat nu vertrok erg oud en krakkemikkig was, kon ik het niet laten om te landen op een van de masten. Ik was verleid door het vooruitzicht om baas te zijn van de hele wereld en had het voorgevoel dat de beste verhalen daar aan de andere kant van de oceaan op mij lagen te wachten.
Terwijl het schip wegvoer zongen de zeemannen een lied dat verhaalde over achtergebleven zeemansvrouwen die niet alleen vreemdgingen, maar ook niet schroomden om vreemde mannen in het bijzijn van hun kinderen te ontvangen.
De zon scheen weliswaar fel, maar door dit lied stonden alle harten op het schip in de vrieskou. De schorre stemmen van de zeemannen waren zo aandoenlijk dat ik mijn ambitie om de baas van de wereld te zijn al lang had laten varen. Ik besloot om terug te vliegen. Maar toen ik terugkeek zag ik geen land meer. We waren te ver gevaren, die afstand was te groot voor mij om het in één keer te doen.
De weemoedige zeemannen bleven het liedje maar herhalen. In de derde week moet de Schepper er genoeg van hebben gehad. Hij wou een einde maken aan het leed in de zeemansharten, stuurde een vreselijke storm op ons af en liet het schip zinken. Met z'n allen verdronken de mannen in het woeste water van de oceaan. Bevend van angst ging ik op een drijvende kist staan en maakte met deze houten kist een reis in een regenachtige nacht in de maand maart.
Toen het licht werd en ik bijna omkwam van de honger zag ik land. Met mijn laatste krachten vloog ik naar het eiland midden in de oceaan. Bij de kust viel ik flauw en kwam weer bij dankzij Katherina de Kraai die water in mijn snavel spuugde. Ook haar schip was ooit gezonken bij een storm. Zij was zonder de hulp van welk houtstuk dan ook naar dit onbewoonde eiland gevlogen. Ze had een nest gemaakt. Ze wist waar de wormen zaten. Het zoete water had ze ook gevonden. Het graan dat een gestrande man lang geleden had verbouwd gaf nog steeds vrucht. Katharina had alles om gelukkig te worden op haar eiland. Wat ontbrak waren een man en kroost.
Katharina was mooi, derhalve vond ik het geen enkel probleem om de liefde te bedrijven met haar. De vruchten van onze grote liefde zag ik groter worden. Ik was gelukkig, maar toch vloog ik elke dag naar de hoogste punt van de groene berg daar om te kijken of er geen schip was dat richting Cuba ging. Ik wilde het land zien waar Miguel in brand was gestoken door rebellen.
Het schip waar ik bijna een jaar op had staan wachten kwam dan eindelijk in een koude februariochtend aan. Katherina en mijn mooie kroost zaten te slapen in ons warme nest in een grot bij de berg. Ik keek voor een laatste keer naar ze en vloog weg. Ik liet ze daar achter en landde weer op de mast van een schip. Niet omdat ik de baas van de wereld wilde zijn door de beste verhalen te vinden, maar omdat de dode scheepsmannen mij goed hadden ingeprent dat als de vrouw het in het bijzijn van je kinderen met andere mannen doet, de man de golven kust die de dood brengen. Ik liet mijn gezin daar achter. Ik mis ze nog steeds.