De reizen van Fjodor de kraai

1880

In ruil voor een handvol boter en kaas heeft die gozer zijn vrouw en dochter aan een ander gegeven. Ja, dat is wat er precies is gebeurd in die vreselijke winter. Het was koud, zelfs ik ging bijna dood door de vrieskou, de man met de lichtblauwe ogen als die van een poolhond wilde die dag doorkomen. ‘De kaas en de boter redden mij misschien een paar dagen van de hongersdood, lief. Maar jij en Hope zijn voor altijd gered als jullie met hem meegaan’, zei hij met zijn laatste krachten. Het kind Hope en haar moeder namen plaats op de slee. De paarden verdwenen in het eindeloze wit van de Amerikaanse vlakte. De man at de kaas en de boter op. Zijn bloed kleurde zijn wangen weer rood. Toen pas begon hij te huilen om zijn vrouw en dochter.
Ik was wel heel erg verdwaald, daar bestond geen twijfel over. Ik, die aan de reis in Spanje was begonnen om de Cubaanse rebellen te zien die Miguel in brand hadden gestoken, was in plaats van in het warme Cuba ergens in het nieuwe continent beland, waar het vroor. Fjodor heeft wel lef, maar is natuurlijk niet dom. Ik zou gek moeten zijn om in die barre winter het kleine stadje te verlaten waar ik de meeste kans had op eten. Ik redde het gelukkig tot mei. Die man in zijn hut ook. Broodmager was hij toen hij richting bergen trok, op weg naar mijnen met misschien goud er in.
Ik vloog de andere kant op. Ik zag grote kuddes die zich te goed deden aan het verse gras van de lente. Ik zag paardenwagens die melk brachten naar grote gebouwen. Uit die gebouwen kwam de geur van boter die niet naar boter rook. Boeren zag ik in rijen wachten, boeren die met melk arriveerden en met die boter vertrokken. Ik heb niet zelden blije boeren gezien, maar zoals die boeren blij waren met hun handel, zo heb ik boeren niet meegemaakt.
Op de markten werd de boter gestald die wel boter was, maar niet echt naar boter rook. Ik stal op een dag een stuk van die boter en vloog er mee weg. Ik at het bij een rivierbedding en werd ziek. Nee, die nieuw uitgevonden boter beviel me geenszins.
En net toen ik me opmaakte om mijn reis voort te zetten naar de rebellen in Cuba zag ik de verhandelde moeder en Hope uit een van die botergebouwen komen. De moeder streelde het haar van haar kleine kind en zei: 'Ooit als je tegenover hem staat, dan moet je tegen hem zeggen dat hij ons niet eens voor echte boter van de hand heeft gedaan. Zeg hem dat hij margarine kreeg voor ons.’
Ik zag dat de nieuwe boter in schepen werd geladen en over de oceaan werd vervoerd.
De goudzoeker met de ogen van een poolhond kwam ik jaren later weer tegen op het nieuwe continent. Zijn dochter Hope had hem opgespoord om hem door haar aanwezigheid elke dag te herinneren aan zijn daad. Dertien lange jaren waren er inmiddels verstreken. Over deze ontmoeting vertel ik je wel in het verhaal over 1893. Maar wat je moet weten is dat Hope een heleboel heeft gezegd tegen haar inmiddels zeer rijke en machtige vader, maar vergat om te zeggen dat hij margarine had gekregen voor zijn vrouw en dochter. Ze vergat het te zeggen omdat toen iedereen de kunstmatige boter at. Op de markten vonden de verkopers het niet eens meer nodig om te zeggen dat ze 'echte’ boter hadden.
Daarover meer. Het was in 1880 erg warm en ik was vastbesloten om die rebellen in Cuba te vinden.