De reizen van fjodor de kraai

1884

Het was niet de zon, maar de geur van de heerlijke, gedroogde planten die me naar het zuiden trok. Zo'n sterke geur dat ik ’s ochtends vroeg aan mijn reis begon, in de middag aan de voet van een berg even op adem kwam, in de koelere avonduren nog meer in de ban van die geur raakte en dus doorvloog, ’s nachts geen enkele controle meer had over mezelf en in de eerste uren van de dag op iets vreemds landde. Toen dat ding ging bewegen en een bruine hand mij wilde slaan besefte ik dat dat ding een hoed was op het hoofd van een slapende man. Dat was de dag dat ik werd weggejaagd van een sombrero. Niet dat het mij iets kon schelen, want ik rook dat de gedroogde planten nu binnen mijn bereik lagen. En wel naast de man die me wilde wegslaan en diezelfde minuut weer in slaap was gevallen.
Mexico, het land van mijn dromerige, verwarde geest. Ja, ik at die gedroogde planten op en gaf me over aan de wil van de koeien, de paarden, de wind en de vlotten die me van de ene naar de andere plek vervoerden. Tijdens een van de trippen van mij in het land van de witgele zon hoorde ik een kleine, bruine man met gele tanden tegen een andere kleine, bruine man met een tandloos gebit het volgende zeggen: ‘Ik heb gehoord dat de Amerikanen een wagen hebben gemaakt die op wielen rijdt en niet vooruit getrokken hoeft te worden.’ De andere man vroeg toen: 'Hoe bedoel je dan?’ De man die de bewering deed, zweeg. Kwam het door de cannabis of was het de zon die mij alles deed vergeten? Of zweeg die man echt? Ik weet het niet meer.
Ik had willen weten waar ik was, ik had willen nadenken over de zin van mijn leven, maar in plaats daarvan gebruikte ik al mijn fut om op zoek te gaan naar gedroogde planten. En toen ik op een van mijn half wakkere momenten twee mannen hoorde praten, waarvan eentje tegen de andere zei dat hij had gehoord dat de Amerikanen een toestel hadden uitgevonden waarmee twee mensen met elkaar konden praten, ook al waren ze in verschillende steden, wist ik niet meer of het diezelfde Mexicanen waren die over dat ene onmogelijke voertuig kwebbelden. In mijn hoofd was ik duizelig. En ik wilde nog meer gedroogde planten vinden om mijn honger naar het troebele te stillen. Dus at ik in het land waar het zand constant in mijn ogen woei veel meer van de gedroogde planten op.
'Ze schijnen een ding te hebben gemaakt in Amerika waaruit muziek komt’, hoorde ik een man van onder zijn sombrero ouwehoeren.
Nee, mijn wazige reis naar het zuiden was geen vlucht uit dat Amerika waarover de wildste verhalen werden verteld. Natuurlijk was ik niet bang voor al die nieuwe dingen waar de slapende mannen verhaaltjes over vertelden. Ik had alleen te veel gedroogde planten gegeten en begreep niets meer van waar de mensen mee bezig waren. De koeien, de paarden, de vlotten en de wind brachten me naar het zuiden. En toen ik op een regenachtige aprildag wakker werd en ik geen gedroogde planten meer kon vinden, besefte ik dat ik in een land was beland waar de mensen de planten niet drogen.
Ik werd wakker en wist dat ik snel iets moest eten. Wat ik vond waren de verse bananen. Hier aten de mensen dus bananen en repten met geen woord over rare uitvindingen. Ik wilde alleen naar de mensen luisteren die bananen aten en niet over allerlei nieuwigheden in Amerika lulden. Ik wist dat ik hier gelukkig zou zijn, in het land dat de mensen Honduras noemden.