19. de ouwe hippie

‘ “Ben ik te min, ben ik te min omdat je pa in een grotere kar rijdt, dan de mijne…” Iedereen kent het, terwijl het mijn slapste liedje is. Maar van al mijn werk is die tekst het minst kwetsend, vandaar dat Joost den Draaier het er in 1967 uit pikte. Het veel heftiger singletje erna, “Het klootjesvolk”, werd door iedereen doodgezwegen. Typisch Nederland: ik mocht best meedoen, maar alleen als ik lief was. Dus was mijn carrière direct afgelopen. Want ik verloochen mijn idealen niet voor poen, zoals Van Kooten en De Bie met hun Koos Koets. “Papa is met zijn lippen aan een jointje blijven kleven”, zingen ze. Pure lijkenpikkerij. Reken maar dat ook op hun nachtkastjes een joint ligt, voor als ze niet kunnen slapen na een hele dag coke snuiven.

Hennep maakt gewoon je hersenen bewust. Mijn eerste joints rookte ik samen met Ramses Shaffy, Wally Tax en Simon Vinkenoog, kortom met de hele hippe scene die rond 1966 bij elkaar klitte in Amsterdam. De dope haalde we uit Antwerpen, want die hadden een blowende kolonie: Belgisch Congo. Te maf spul was dat joh, hoewel we het eerst aan de straatstenen niet kwijtraakten. Daar moest eerst de zomer van de liefde nog overheen. Love, peace and pipedreams. Wow.
Veel van die mensen zijn nu helemaal ingezakt. Al die ex-hippies die de sixties banaliseren met het verhaal dat we eigenlijk alleen maar utopische junks waren. Die lui schamen zich gewoon voor wie ze zijn. Terwijl ze toch niet aan zichzelf kunnen ontsnappen. Als je eenmaal bewust bent geworden, kun je jezelf niet meer onbewust maken, weet je wel.
Ik heb van de hennep geleerd dat mijn idealen nooit in mijn lifetime gerealiseerd zullen worden. If ever. Ondertussen heb ik wel dertig jaar lang protestliedjes gezongen voor kids in Druten, Beuningen en Waspik. Ik heb twee miljoen kilometer gereden om alle jeugdhonken in alle gaten van Nederland te zien. Al die tijd zag ik telkens weer nieuwe groepen hippe jongeren opbloeien, zoals nu weer de house-jeugd. Die kids van nu zijn wel tien keer zoveel waard als toen. In 1969 stak iedere boerenlul een bloem in zijn haar, omdat ze zo de ene chick na de andere konden neuken. Dat was geen flower power man, dat was gewoon burgermannetjesconformisme.
Dat jointjes paffen is trouwens best wel conventioneel geworden. Daarom rook ik alleen nog maar uit een chillum, zo'n Indiase kleipijp. No way dat ik daar skunk instop. Zo heet die nieuwe superheavy nederwiet, daar krijgen mensen toch een opgefokte mind van, dat heeft geen flikker met hennep te maken! Steeds meer skunk komt van die genetisch gemanipuleerde namaakplanten, die ze best eens versneden kunnen hebben met doornappel, belladonna of een andere trippy gifplant. Dat gebeurt, dat is big business. Ik weet dat soort dingen, ik heb al zeker tachtig kilo shit gerookt. Ik besta uit hasjiesj man! Na mijn dood word ik niet gecremeerd, maar per gram verkocht bij de betere koffieshop. Ik weet ook zeker dat ik dan pas echt ontdekt zal worden. Ik verheug me nu al op mijn dood. Terwijl ik het leven toch iedere dag weer te gek vind. Zoals de Indianen zeggen: Today would be a perfect day to die.’