19. tegen sluitingstijd

Eigenlijk was David behoorlijk geschrokken. Aad, zijn beste vriend, werd vader! Dat kwam wel erg dichtbij. Hij had een dronk uitgebracht op de kleine brulboei - en op aanstaande moeder Chantal - maar van harte ging het niet. Zou hun vriendschap bestand zijn tegen luiers en flesjes?

Ongemerkt had er toch al een verwijdering tussen Aad en David plaatsgevonden, sinds Chantal. Ze praatten minder vrijuit, zeker over onderwerpen als vrouwen of seks. En juist op dat gebied worstelde David met vragen en twijfels.
Werd het voor hem niet ook eens tijd voor vastigheid? Hij dacht aan de huwelijken die hij kende, en rilde. De ijzige kou tussen zijn ouders. Emma, zijn ex-vrouw, die hem meteen na de bruiloft op een rantsoen van drie keer per week had gesteld. En dan nu Aad, die zijn ambitie om een reizend fotograaf te worden had ingeruild voor een premiekoopwoning. Blijkbaar moest er gekozen worden. Gezelligheid en geborgenheid. Of opwinding en seks.
David zat alleen aan een tafeltje in Cafe Efac en maakte gaatjes in de rand van een bierviltje met het puntje van zijn fietssleutel. Om hem heen klonk het opgewonden geroezemoes van een vol cafe. Het liep tegen sluitingstijd. Aad was al een uur geleden opgewekt vertrokken. “Naar moeders”, had hij tot Davids onuitsprekelijke gene gezegd.
David doorboorde vol overgave het oog van een kabouter die vanaf het viltje naar hem grijnsde. Hij voelde zich ingesloten. Klefheid omringde hem. Wat deed hij nou eigenlijk met zijn leven? Een beetje schrijven, moeizaam ploeteren op een toetsenbord. Pennelikken voor geld. Wat was er terechtgekomen van zijn droom om groots en meeslepend te leven? Zou hij oud en dor worden voor zijn tijd, zoals zijn vader? Die had tenminste nog de oorlog meegemaakt. Hij, David, had niets om zijn tanden op stuk te bijten. Hij wist niet eens wat hij waard was in moeilijke omstandigheden. Of hij een typisch slachtoffer zou zijn, een dader, of een meeloper. Geen flauw idee.
“Absoluut de laatste ronde!” galmde de barman. David stond niet op. Hij wilde zijn wodka niet te snel achtervover slaan. De misselijkheid van die ochtend lag hem nog vers in het geheugen. “Alles met mate”, bauwde hij inwendig de lijfspreuk van zijn vader na. “Eigenlijk ben je een absolute wezel, Rosenbach”, snierde de onbarmhartige stem in zijn hoofd. “Anders zat je nu wel met een kogelvrij vest en een draagbare computer in Kroatie of Algerije.” Toch had hij nooit serieus overwogen om oorlogscorrespondent te worden. Hij wist niet zeker of het zin had.
Liever hield hij zich bezig met zijn eigen ik. Met het fikkie dat diep in hem smeulde voor een zekere verpleegster. Als hij aan haar dacht, voelde hij niet alleen verlangen maar ook angst. Om zuster Nauta te bereiken, zou hij een grens in zichzelf moeten overschrijden. Daarom voelde hij zich ook zo waanzinnig tot haar aangetr…
“We gaan sluiten”, zei de barman dreigend. “Nu.” David keek op. De stoelen stonden op de bar. Cafe Efac was uitgestorven.