Economie

1931

Als je de verkiezingsprogramma’s mag geloven zitten we in een doodordinaire huis-, tuin- en keukenrecessie. Vrijwel alle partijen wijden grote woorden aan hun ambities voor begrotingstekort en staatsschuld. Alsof het opnieuw 1982 is en bezuinigend en loonmatigend Nederland zich uit de recessie kan exporteren door mee te liften op de welvaartsgroei van haar buren!

Illustratief voor dit waanbeeld is het verkiezingsprogramma van de VVD. Daar staat doodleuk dat we onze welvaart voor zeventig procent danken aan handel met het buitenland. De subtekst? Dat stimuleren niet helpt – lekt toch weg naar het buitenland. En dat bezuinigen niet schaadt – we verdienen ons brood toch elders. Dus waarom de crisis niet misbruikt om de staat op z’n conservatief-liberaals uit te hongeren. In welke wereld leven deze mensen? Want het is natuurlijk onzin. De bruto waarde van onze export is weliswaar gelijk aan zeventig procent van het bbp, maar dat is wat anders dan de toegevoegde waarde. En daar gaat het om. Kijk je daarnaar, dan kom je uit op ongeveer een derde van het bbp. De bestedingen van de particuliere sector (gezinnen en bedrijven) zijn ook verantwoordelijk voor een derde. En de publieke sector verzorgt de rest. Oftewel, lastenverzwaringen en bezuinigingen raken de economie onmiddellijk en fors. Bovendien ligt de boel in heel Europa plat, is de Amerikaanse groei anemisch en verfletst het Chinese groeiwonder. Waar komt de groei vandaan die onze bezuinigingspil moet vergulden?

Dames en heren, het is niet 1982. Het is 1931. Het gefinancialiseerde kapitalisme van voor de crisis heeft het parasitaire karakter van ons verdienmodel – internationaal kostenvoordeel door loonmatiging – vijftien jaar lang weggemoffeld onder een poederlaag van goedkope kredieten, uitdijende vastgoedsector en illusoire vermogensaanwas. Het ruwe ontwaken dat op het bankroet van Lehman Brothers volgde is in volle gang. Zie de eurocrisis; zie de 1,5 miljoen euro die de gemeente Amsterdam jaarlijks wil steken in het slopen van kantoorpanden; zie de vastgoedafschrijvingen in Spanje; zie de bankproblemen in het malafide Cyprus; zie het groeiend aantal Te koop-bordjes in de Amsterdamse Rivierenbuurt; zie het toenemend aantal semipublieke instellingen in financiële moeilijkheden. Volgens McKinsey heeft Europa nog minstens zes jaar privaat ontschulden voor de boeg. Maak je borst maar nat!

Net als in 1931 moeten we een ontzaglijke schuldenberg wegvreten. Toen bestond die uit Duitse herstel­betalingen aan Frankrijk en Engeland en Britse en Franse oorlogsschulden aan de VS. Nu uit hypotheken, securitisaties, derivaten en obligaties die als confetti over het mondiale financiële stelsel zijn uitgestrooid. En net als toen heeft dat wurgende wederzijdse afhankelijkheden geschapen. Hoe onverbiddelijker de VS tegen hun debiteuren, hoe strenger de geallieerden voor Duitsland. En hoe hardvochtiger de Britse en vooral Franse behandeling, hoe meer Duitse samenleving en politiek radicaliseerden. Uiteindelijk zagen de VS zich gedwongen Duitsland zelf maar de kredieten te verstrekken die Frankrijk en Engeland op hun beurt in staat stelden hun Amerikaanse schulden af te betalen. Vervang VS door Duitsland, Frankrijk en Engeland door Société Générale en Deutsche Bank, en Duitsland door de PIIGS, en je zit midden in het scenario van de eurocrisis.

Nederland is niet een economisch eiland maar sinds 1992 via de euro onlosmakelijk onderdeel van een Europese ruimte van financieel-economische netwerken en transacties. Daar heeft het voor de crisis goed aan verdiend en is het in de crisis dus mede verantwoordelijk voor. Banken en bedrijven overigens meer dan burgers – meteen een fijne vuistregel voor een eerlijke lastenverdeling.

Gezien de programma’s – veel bezuinigingen, veel als hervormingen verpakte bezuinigingen, veel lastenverzwaringen – heeft geen enkele partij dat op het netvlies. De pagina’s ademen het syndroom van Münchau: kleine politiek voor kleine politici van kleine landen. Maar wat goed is voor een kleine open economie in recessie is funest voor een grote gesloten economie in depressie. Oftewel, het ontschulden van de een (Griekenland, Spanje, Ierland) vereist investeringen van de ander (Nederland, Oostenrijk, Duitsland). En weer: meer van banken (meer krediet, minder bonus) en bedrijven (een loongolfje) dan van burgers. De belangrijkste les van 1931 is niet monetaire verruiming, zoals de friedmanianen menen, maar fiscale verruiming. Wie bewijs nodig heeft, kijke om zich heen. Centrale Banken hebben sinds de crisis conform de les van Friedman duizenden miljarden in het financiële stelsel gestoken. Dat heeft werkloosheid, krimp en groeiende schuldenlast niet kunnen voorkomen. Integendeel. Precies zoals Keynes altijd heeft beweerd.

Mag ik alle rechtse en linkse (?) friedmanianen daarom dringend oproepen om Kindlebergers The World in Depression 1929-1939 in de koffer te stoppen. Of neem Ahameds [Lords of Finance](http://books.google.nl/books/about/Lords_of_Finance.html?id=74XNzFal3MC)_ mee. Geschiedenis is ons laboratorium. Tot 16 augustus.