Aharon Appelfeld, Badenheim 1939

1939

Aharon Appelfeld

Badenheim 1939

Uit het Hebreeuws (Badenhaym, ’Ir nofesh, 1979) vertaald door Kees Meiling

Ambo, 148 blz., e 16,95

Het zegt iets over ontwikkelingen in vertalersland dat deze roman in 1983 naar de Engelse vertaling werd vertaald en nu rechtstreeks uit het Hebreeuws. De Engelse uitgave van 1981 was indertijd de eerste vertaling van de in 1932 in Oekraïne geboren Israëlische schrijver. Zoals ook ander werk werd de roman geprezen omdat Appelfeld het thema jodenvervolging behandelde zonder gruwelen te tonen. Dat was sinds de toevoeging in de titel van de Amerikaanse uitgave ook niet meer nodig: wat in het Hebreeuws quasi-onschuldig «Badenheim, vakantieoord» heette werd beladen met het jaartal 1939. Triviale gebeurtenissen in het kuuroord, waar de impresario dr. Pappenheim elk jaar de joodse badgasten op concerten en excursies onthaalt, worden overschaduwd door wat er komen gaat.

Nog unheimlicher is hoe bereidwillig zij zich laten registreren voor een «terugreis» naar Polen, en hoe joodse Oostenrijkers zich keren tegen de Ostjuden, de ongenode gasten. Stuitend al dat geroddel, de liefdesaffaires, het kleine leed in een klein plaatsje. Weten zij veel wat de alomtegenwoordige Sanitaire Dienst in zijn schild voert met de quarantaine? Om die gelijkstelling van besmettelijke ziekte en jodendom draait de fabel. Pappenheim, Ostjude en bron van alle ellende, kondigt wel het grote onheil aan – «Nog maar een paar dagen en dan zal alles veranderen. Wij staan aan de vooravond van een radicale verandering» – maar ook hij weet van niks, getuige zijn laatste uitspraak, als een locomotief met goederenwagons het station binnenrijdt: «Als de wagons zo smerig zijn, moet dat betekenen dat de reis niet ver is.» Toekomstige slachtoffers en tot het laatst blakend van optimisme. Ik weet niet of het er onder de oorspronkelijke titel anders uitzag, maar voor de lezer van nu krijgt het verder wat kolderieke verhaal over de besloten gemeenschap in een kuuroord een verwijtende toon: zie hoe willoos, ja zelfs bereidwillig zij zich op de trein naar Polen lieten zetten. Maar wie noemt een serveerster steevast «half joods»? De schrijver, niet de badgasten, want voor hen betekent jood-zijn niets, behalve als aanduiding van de onbeschaafde allochtonen uit het oosten. De schijn als zou het om een idylle gaan die overschaduwd werd door angstige voorgevoelens, bedriegt. Alleen de lezer weet wat het omineuze jaartal 1939 voor joden in petto had: wijsheid achteraf met als gevolg dat een andere dan een moraliserende interpretatie nauwelijks mogelijk is.