Theater: Marina Abramovic

‘1948 – Refuses to walk’

Eenvoudig was het niet, maar het ís gelukt: om van tevoren niets te lezen over de Holland Festival-voorstelling The Life and Death of Marina Abramovic. In de late jaren zeventig heb ik me ooit eens tussen het naakte lijf van de Servische performancekunstenares Marina Abramovic en dat van een Duits collega-kunstenaar door geworsteld om een ruimte in het Stedelijk Museum te betreden.

Dat bleek tevens de performance. Van een vriendin die in de beeldende kunst doolt zoals ik in het theater begreep ik dat Abramovic aan Robert Wilson heeft gevraagd een voorstelling over haar leven te maken zónder elementen uit haar performances te gebruiken. Na afloop bleek het een stuk lastiger om bij elkaar gekwebbelde instant-oordeeltjes buiten te sluiten. Dus mocht ik bij het verlaten van Carré vernemen dat het jammer was dat Wilson niet méér gebruik had gemaakt van Abramovic’ extreme stijl. Klopt, want dat ging hij niet doen. En dat de voorstelling weer veel Robert-Wilson-van-hetzelfde had ingehouden. Sommige kunstenaars zijn hun leven lang bezig hetzelfde verhaal te vertellen. Het zou heel goed kunnen dat in Wilsons lugubere vertellingen van duizend-en-één-doorwaakte-nachten zijn angstdromen en nachtmerries een grote rol spelen. En precies dát moet hij op het levenspad van Marina Abramovic hebben herkend.

Ik zat in Carré griezelig vooraan en daar zat verteller William Dafoe op het podium ook, dus had ik ruimschoots de gelegenheid deze van film wereldberoemde maar in het toneel groots geworden acteur van nabij te observeren, wat bepaald geen straf is. Na de pauze, die vanwege het toiletbezoek van Hare Majesteit ruimschoots werd opgerekt, zat Dafoe tien volle minuten nagenoeg zonder oogknipperingen of kijk-mij-eens-boeiend-zitten-wezen-pose geconcentreerd naar een papier te staren, waarmee hij een naadloze brug sloeg tussen de scène voor de pauze over de Servische herkomst van de kunstenares, een doodenge osmose van folklore en geweld, en het relaas na de pauze over een lange performance langs de Chinese Grote Muur. Dafoe verbindt merktekens uit Marina Abramovic’ persoonlijke levensloop (‘1948, M.A. is twee jaar, ze weigert te lopen’) aan snapshots uit haar artistieke autobiografie. Antony Hegarty (van Antony the Johnsons), in geweldig strak satijn uitgedost als Engel des Doods, legt daar met zijn ijle stem een lyrisch commentaar tegenaan.

En Robert Wilson doet waar hij (niet altijd, maar vaak wel en hier zeker) zo verdomde goed in is: hij etst in een doodkalm ritme gravures van licht en kleur, creëert mise-en-scènes die soms op hogere wiskunde lijken maar vrijwel steeds van een ongemeen grote schoonheid zijn, hij behoudt superieur het overzicht en laat Abramovic haar gestorven moeder spelen, bij leven ongetwijfeld een Servisch takkenwijf met een ego dat minstens zo groot was als dat van haar wereldberoemde dochter. De voorstelling is een klein jaar jong, ze heeft de frisheid van een zojuist van de tekentafel tot leven gekomen theatraal Gesamtkunstwerk en hoort, aldus de bescheiden vaststelling van deze vrij trouwe observant van het werk van Robert Wilson (1941), tot het beste wat hij in de afgelopen jaren heeft gemaakt. Na afloop wilde ik de voorstelling meteen nog een keer zien, de tentoonstelling over het maken ervan bezoeken en veel meer over Marina Abramovic weten. Ik wil niet zeuren, maar dan heb je je werk behoorlijk goed gedaan!


Niet meer te zien. Wel nog: Leven en dood van Marina Abramovic – door de ogen van de kunstenaar, de regisseur, de componist en de acteur, tentoonstelling in De Ketelfactory te Schiedam, t/m 15 juli, www.deketelfactory.nl