Op zoek naar het verhaal van deze tijd

1989. Het begin van wat?

14 oktober 2009 - De val van de Muur markeerde een nieuw begin, maar van wat? Al twintig jaar hebben analisten moeite het nieuwe tijdperk te benoemen. ‘Ik ken niet één denker die het gelukt is een werkelijk mondiaal verhaal te maken over onze tijd.’

Medium rutger

‘HET IS TE VROEG OM TE ZEGGEN’, was het beroemde antwoord van de Chinese premier Zhou Enlai toen hem werd gevraagd naar de betekenis van de Franse Revolutie. Dergelijke voorzichtigheid was schaars toen het IJzeren Gordijn neerkwam. En waarom ook niet? De betekenis ervan was de meeste tijdgenoten direct duidelijk. Zelfs voordat de Ossi’s elkaar op het gehate beton hesen van de Berlijnse Muur waren de grotere bewegingen van de geschiedenis zichtbaar.

‘Het huidige beschadigde regime is duidelijk in overgang’, schreef de Amerikaanse ambassadeur in Peking bijvoorbeeld maanden daarvoor, toen de algemene beroering in de communistische wereld was overgeslagen naar China en de communistische partij het leger moest inzetten om demonstrerende studenten van het Tiananmenplein te vegen. ‘We kunnen ervan uitgaan dat binnen een paar jaar een verlichter regime verschijnt. Wellicht hebben deze tragische gebeurtenissen de mars naar democratie van deze grote natie versneld.’ Twintig jaar later is de democratie in China geen stap dichterbij, is de Chinese economie veertien maal zo groot en vragen analisten zich af of China’s autoritaire staatskapitalisme het model van de toekomst is.

Ook andere verwachtingen pakten anders uit. Op wereldschaal werd de mars naar democratie tijdelijk een massasprint: bijna twee derde van alle landen is nu een democratie, tegenover twee op de vijf in 1989. Maar de bijproducten waren anders dan verwacht. In 1989 stond de ‘mars naar democratie’ voor een totaalpakket aan prachtige vergezichten. De internationale politiek zou harmonieuzer worden en overal ter wereld zouden welvaart, vrijheid en vrede toenemen. Maar na een golf aan burgeroorlogen, een genocide, de grootste terroristische aanslag in de geschiedenis, moeizame transities van ex-communistische landen naar de nieuwe tijd en twee door de Verenigde Staten geleide invasies in het Midden-Oosten is alle helderheid verdwenen over wat de val van het Oost-Europese communisme heeft betekend voor de wereld.

Aanvankelijk wees niets daarop: alle stukjes vielen juist op hun plaats voor een harmonieuze toekomst. Nadat Midden-Europa zich bijna geweldloos van het communisme had bevrijd, viel de Sovjet-Unie al even kalm uiteen. Het Rode Leger, een van de machtigste legers die ooit hebben bestaan, werd teruggerold en prijsgegeven aan roest en alcoholisme. Wereldwijd daalden de defensie-uitgaven met een derde. En dictaturen en rebellen over de hele wereld zagen opeens de geldstromen opdrogen die decennialang burgeroorlogen en onderdrukking hadden gefinancierd: de dollars voor de rechtse regimes in Zaïre, El Salvador en Guatemala; de roebels voor de revolutionairen van Mozambique, Angola en Cambodja.

De hele wereld werd bovendien op het pad naar welvaart gezet door het economische recept van de ‘Washington Consensus’, die vrijhandel en ondernemerschap stimuleerde in economische achterblijvers en voormalig communistische landen. Iedereen moest wel meedoen, want wie zich niet opende voor de wereldeconomie en de revolutie in communicatietechnologie doemde zichzelf tot stilstand in een tijd waarin groeicijfers zwaarder telden dan defensie-uitgaven. ‘Het tijdperk van geopolitiek heeft plaatsgemaakt voor het tijdperk van geo-economie’, schreef een adviseur van de regering-Clinton in The New Yorker. ‘De nieuwe symbolen van viriliteit zijn export en productiviteit, de belangrijkste internationale krachtmetingen zijn handelsovereenkomsten.’

De inderdaad losgebarsten economische groei zou volgens de gangbare wijsheid automatisch over de hele wereld de democratie bevorderen: doordat overal de middenklasse zou groeien, groeide de roep om vrede en meer burgerrechten mee. Na twee eeuwen wenkte het vergezicht dat Immanuel Kant in 1795 had geschetst in Zum ewigen Frieden: een wereld van democratieën die hun geschillen in overleg zouden oplossen. Met het getouwtrek tussen de VS en de Sovjet-Unie achter de rug werkte de wereld samen op een ongekende schaal: het regende internationale verdragen en nieuwe mondiale instituties. Nergens werd die samenwerking zo ver doorgetrokken als in de Europese Unie, die een binnenhaven van vrijheid en voorspoed creëerde in het voormalige strijdperk van de wereld. De EU was volgens velen het model van de toekomst, de ‘postmoderne staat’ in de definitie van de Britse diplomaat en analist Robert Cooper, die in ontwikkeling voor lag op ‘moderne staten’ als Rusland en China. En de EU exporteerde een ander oud politiek-filosofisch ideaal: de ‘open samenleving’ die Karl Popper had bepleit toen Europa in 1945 in puin lag. Een halve eeuw later werd die naar de broeders in Oost-Europa gebracht.

Saddam Hoessein werd ongewild de illustratie van deze nieuwe tijd, waarin de ‘internationale gemeenschap’ (een nieuwe term) geen dictators en agressie meer zou dulden. De VS gooiden zijn troepen uit Koeweit, gesteund door bondgenoten, betaald door Arabieren en gelegitimeerd door de Verenigde Naties. Zelfs een havik als George Bush sr., de toenmalige Amerikaanse president, juichte dat de VN ‘een nieuw bestaansrecht’ hadden verkregen. Bush voorzag een tijdperk van internationale samenwerking: een Nieuwe Wereldorde. Daarin zouden volgens hem ‘de naties van de wereld – Oost, West, Noord en Zuid – kunnen gedijen in harmonie, waarin de wetten van het recht in de plaats treden van de wetten van de jungle. Een volkomen andere wereld dan degene die wij kenden.’

De termen ‘einde van de geschiedenis’ en ‘nieuwe wereldorde’ worden nu alleen nog ironisch gebruikt

De tijdgeest kreeg zijn neerslag in het beroemde werk van de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama, The End of History and the Last Man, dat betoogde dat de wereldgeschiedenis in de eerste plaats een strijd tussen ideologieën geweest was en dat die nu was beslist. ‘Aan het einde van de geschiedenis heeft de liberale democratie geen noemenswaardige rivalen meer’, schreef Fukuyama.

DE TERMEN ‘EINDE VAN de geschiedenis’ en ‘nieuwe wereldorde’ worden nu alleen nog ironisch gebruikt, wat aangeeft hoezeer de wereld is veranderd. Niet alleen bleken de optimistische vergezichten van begin jaren negentig beperkt houdbaar, er kwam ook niets voor in de plaats. ‘Analisten hebben niet één overkoepelende term gevonden voor de wereld waar we nu in leven. Dat we nog steeds de term “post-Koude Oorlog-tijdperk” gebruiken, geeft dat al aan’, stelt de invloedrijke Harvard-politicoloog Joseph Nye desgevraagd vanaf zijn vakantieadres.

De Britse historicus Mark Mazower ziet al even weinig succes: ‘Het is goed om te zoeken naar een coherente visie op onze tijd, maar er is gewoon niets overtuigends voorhanden’, zegt hij telefonisch vanuit Londen. ‘We hebben de verklaringsmodellen van de Koude Oorlog overboord gedaan: het marxisme en neoliberale verklaringen vinden we nu ontoereikend. Maar er is niets voor in de plaats gekomen.’ Dat ligt volgens Mazower niet alleen aan hoe complex de huidige wereld geworden is: ‘Het probleem is ook dat we een overkoepelende visie zoeken die “waar” is voor iedereen. Die bestaat vaak niet. Er is bijvoorbeeld een breed debat gevoerd over de vraag of de Koude Oorlog in essentie een ideologische confrontatie was tussen twee tegenpolen of een machtsstrijd tussen twee supermachten. Nu de bronnen erover vrij zijn, is duidelijk dat de Amerikaanse leiders de Koude Oorlog vooral als ideologische confrontatie zagen, terwijl de sovjetleiders vooral vanuit een machtsperspectief keken – een overkoepelende verklaring is dan een illusie.’

‘Hetzelfde probleem heb je met de vraag: “Hoe is de wereld veranderd sinds 1989?”’, vervolgt Mazower. ‘We realiseren ons te weinig dat dit een Europese vraag is, want 1989 is een Europese datum. Dat maakt het erg moeilijk om een werkelijk internationaal perspectief in te nemen. Ik ken niet één denker die het gelukt is om een werkelijk mondiaal verhaal te maken over onze tijd.’

NIET ALLEEN FUKUYAMA zocht in 1992 nog naar zo’n mondiaal verhaal, ook zijn vele opponenten deden dat. De invloedrijkste reactie zou die van Harvard-politicoloog Samuel Huntington zijn, die schreef dat een strijd tussen ideologieën een uitzondering was geweest in de geschiedenis. Na de val van het communisme zou de normale gang van zaken zich hervatten: de voornaamste conflicten zouden niet plaatsvinden tussen landen met ideologische verschillen, maar met culturele – tussen westerse en islamitische landen, bijvoorbeeld.

Dat het ‘einde van de geschiedenis’ al snel een achterhaalde term werd, had echter minder met intellectuele reacties te maken dan met de overduidelijke hervatting van de geschiedenis in de vorm van wrede, slepende oorlogen. De VS grepen weliswaar als zelfbenoemde ‘politieman van de wereld’ zeven maal militair in tussen 1989 en 2001, zoals in Haïti, Somalië en Koeweit, maar bij de bloedigste conflicten stonden de VS en de rest van de wereld toe te kijken: de genocide in Rwanda in 1994, de burgeroorlogen in Bosnië, Kroatië, Sierra Leone, Afghanistan, Liberia en Soedan en de ‘Afrikaanse wereldoorlog’ in Congo. Oorlogen tussen landen werden inderdaad schaars, maar burgeroorlogen bepaald niet. Zonder de supermachten als suikeroom keerden strijdgroepen over de hele wereld zich naar illegale handel om hun oorlogen te bekostigen: cocaïne uit Latijns-Amerika, bloeddiamanten uit Afrika, opium en lapis lazuli uit Azië – deel van de donkere kant van de globalisering die steeds meer aandacht en protest trok. Op andere plekken ontstond een nieuw fenomeen: de ‘mislukte staat’. Uiteindelijk maakten de VS wel na vier jaar met geweld een einde aan de strijd in Kroatië en Bosnië, maar het optimisme over de nieuwe tijd – zeker over de fantastische potentie van het herenigde Europa – was toen al goeddeels verdampt.

Grootmachtrivaliteit maakte een even duidelijke comeback. Ruslands overgang naar gelukkig kapitalisme was uitgelopen op de ‘diefstal van de eeuw’, de brute oorlog in Tsjetsjenië en een alles verterende honger naar de verloren macht. China was opzichtig afwezig in de optimistische liberale parade en begon vanaf de jaren negentig steeds openlijker met het Westen te wedijveren om de grondstoffen van de Derde Wereld. De opkomst van nieuwe groeiers als Brazilië en India maakte het plaatje nog minder overzichtelijk.

‘Mensen die lessen willen trekken uit de geschiedenis beginnen eerst met die te versimpelen

Het optimisme van de jaren negentig kreeg in 2000 nog wel zijn neerslag in de Millenniumdoelen, waarin de wereld afsprak extreme armoede uit te bannen voor 2015. Maar achteraf gezien was dat eerder de afsluiting van een hoopvol tijdperk dan de start van een nieuw. Terwijl de wereld kort erop een nieuw existentieel gevaar ontdekte in klimaatverandering, vielen de aanslagen van 11 september 2001 als een bom in het internationale bestel. Het vooruitgangsfeestje dat de wereld had gevierd, was voorbij. De internationale politiek zou nog jaren in het teken staan van de nasleep van ‘11 september’: de oorlogen in Irak en Afghanistan, de angst en paranoia bij het belangrijkste land van de wereld, de nieuwe nadruk op veiligheid en grenzen in plaats van groei, samenwerking en dynamiek. De aanslagen, de oorlogen in Irak en Afghanistan en de beroering in Europa over moslimimmigratie leken Huntington aanvankelijk gelijk te geven met zijn ‘botsing der beschavingen’. Maar de Amerikaanse president Bush jr. maakte daar een farce van met zijn ‘bek houden of je bent voor de terroristen’-diplomatie. Het Westen en het Midden-Oosten raakten diep verdeeld, met alle getouwtrek van dien. De geopolitiek stond weer torenhoog boven de geo-economie – zeker toen de wereldeconomie vorig jaar geen zelfstandig draaiende motor bleek, maar een precair systeem dat jarenlang door overmoed en hebzucht was oververhit.

DE HELDERHEID VAN DE Koude Oorlog, met de ‘bipolaire’ rivaliteit tussen Moskou en Washington die alle internationale zaken domineerde, was in deze chaotische twintig jaar volledig zoek. Achteraf gezien was het debat over het ‘einde van de geschiedenis’ een soort last stand van de wetenschap als het ging om het verklaren van de wereld. Bestsellers over de richting die de wereld ingeslagen was, kwamen de laatste vijftien jaar steevast van mensen die dichter bij de praktijk stonden dan wetenschappers: journalisten zoals Fareed Zakaria, Thomas Friedman en Robert Kaplan, diplomaten zoals Kishore Mahbubani.

Fareed Zakaria, een naar de VS verhuisde Indiër, beschreef hoe de wereldwijde zegetocht van de democratie voornamelijk een toename van het aantal ‘onliberale democratieën’ was: landen waar het matig of slecht gesteld was met de rechtsstaat en de vrijheid, maar waar de machthebbers gemanipuleerde verkiezingen hielden om zich te legitimeren in de ogen van het Westen. Robert Kaplan maakte naam met reportages uit plekken waar haat broeide of overkookte, zoals Afghanistan en de Balkan, maar bleek analytisch gezien een windhaan voor de heersende stemming in de VS: hij voorspelde halverwege de jaren negentig een wereld van anarchie, onder Bush jr. riep hij om minder christelijke ethiek en meer ‘heidens ethos’ in de Amerikaanse buitenlandse politiek, nu meent hij dat geografie onze politiek stuurt.

De gelauwerde Midden-Oosten-correspondent Thomas Friedman beschreef globalisering levendig en vooral on the spot, maar ook hij bleek vatbaar voor modes: eerst was zijn mantra globalisering plus eindeloze economische groei, toen globalisering plus een ‘oorlog van ideeën’, nu globalisering plus eco. Kishore Mahbubani, ten slotte, maakte als diplomaat voor Singapore decennialang de groeiende macht van Azië mee en beschreef in De eeuw van Azië dat het mondiale zwaartepunt onvermijdelijk oostwaarts zal gaan hellen – enerzijds een logische erkenning van huidige processen, anderzijds een zoveelste variant op The Rise and Fall of the Great Powers, het boek waarin de Britse historicus Paul Kennedy in de jaren tachtig de aanstaande neergang van de VS en de dominantie van Japan voorspelde.

Waarom hebben analisten toch zo’n moeite om onze tijd te beschrijven en visies neer te schrijven die langer dan een paar jaar goed blijven? ‘De grotere complexiteit van de huidige wereld is ongetwijfeld deel van de reden waarom dat niet gelukt is’, meent Joseph Nye. ‘Bipolariteit was nogal eenvoudig. De verdeling van macht in de huidige wereld lijkt meer op een driedimensionaal schaakbord, met bovenop een militair bord, daaronder een economisch bord en onderaan een chaotisch bord waarop van alles in transitie is en in beweging wordt gebracht door globalisering en de revolutie in informatietechnologie. Je kunt daar wel een label op plakken – ikzelf heb bijvoorbeeld wel “informatie-tijdperk” gebruikt. Maar geen enkel beeld heeft de simpelheid en directheid van de Koude Oorlog.’

Nye muntte de inmiddels ingeburgerde term ‘soft power’ als belangrijkste gereedschap voor landen, met name de VS, om die chaotische wereld naar hun hand te zetten zonder hun legers eropuit te sturen. Dat suggereert vooruitgang, maar anderen zien juist teruggang. ‘In plaats van tot een nieuwe wereldorde geven de botsende belangen van grootmachten aanleiding tot de gecompliceerde manoeuvres en wisselende partnerschappen die een negentiende-eeuwse diplomaat direct zou hebben herkend’, schreef neocon Robert Kagan in De terugkeer van de geschiedenis.

Het is een populaire opvatting: dat de wereld ‘terugkeert’ naar een situatie van multipolariteit, oftewel een wereld waarin verschillende machten elkaar beconcurreren. Aan die interpretatie zitten ook vaak ‘lessen uit het verleden’ vast, bijvoorbeeld dat Europese landen en de VS weer moeten ‘leren’ om voor hun eigen belangen te knokken, of voor hun idealen of hun levenswijze.

Maar historische analogieën mogen het dan goed doen bij het bredere publiek (vooral vergelijkingen met ‘München 1938’, de overeenkomst tussen Hitler en Chamberlain), serieuzere analisten zien er over het algemeen weinig heil in. ‘Mensen die lessen willen trekken uit de geschiedenis beginnen eerst met die te versimpelen’, zegt Mazower. ‘Zo is de hele twintigste eeuw, met de Eerste, de Tweede en de Koude Oorlog, in het standaardverhaal gegoten van de opmars van de liberale democratie. Wat heeft ons dat nou opgeleverd? Slechte geschiedschrijving en een slecht begrip van het heden.’

‘Er zijn wel enkele grote lijnen in de huidige tijd te zien’, zegt Mazower. ‘Ten eerste de gestage afname van Europese en Amerikaanse invloed, ten tweede een wereldwijde scepsis over wat staten kunnen bereiken en wat er te bereiken is met samenwerking tussen staten, en ten derde grote demografische en economische veranderingen waarvan het resultaat onmogelijk te voorspellen is. Maar misschien is het beslissende boek al geschreven en zien we het gewoon niet. In de jaren dertig, ook een chaotische tijd, schreef de historicus E.H. Carr The Twenty Years’ Crisis. Dat was erg controversieel toen het uitkwam. Pas achteraf werd het gelauwerd als het beste boek van zijn tijd.’


Beeld: Berlijn, Potsdamer Platz, 12 november 1989 (Erik-Jan Ouwekerk/HH)