De nieuwe Turk doet wat hem goeddunkt

2,2 kinderen en een cola-cognac

Door te emigreren naar de grotere steden en door hard te werken, hebben de Turken hun eigen middenklasse gecreëerd. En nu willen ze genieten, en geen last hebben van een bemoeizuchtige vader.

De tranen van meneer Feyzullah glijden op zijn frisgeschoren wangen op een moment dat ze zich niet aan de openbaarheid horen te vertonen. De grijze man vraagt om tissues, een van de vele vrouwen in de woonkamer gaat ze halen. In de tussentijd leveren de andere vrouwen commentaar op het gehuil: ‘Hou je toch in meneer Feyzullah, dit is een avond om gelukkig te zijn.’ Maar meneer Feyzullah kan zijn tranen niet keren. Hij heeft toestemming gegeven aan het huwelijk tussen zijn dochter en de man die om haar hand kwam vragen en is nu zijn emoties niet meer de baas. Omdat journalistiek haar grenzen heeft, worden de prangende vragen op dit verlovingsritueel in een van de achterbuurten van de grote stad niet gesteld. Zijn uw tranen die van vreugde, meneer Feyzullah? Huilt u soms om uw dochter die weldra buiten uw invloedssfeer gaat verkeren? Jankt u om het bittere gegeven dat op deze gracieuze avond zo weinig naar uw wens verloopt? Of weent u voor het lot van alle ‘vaders’ in een maatschappij die niet meer de oude is?

Max Thornburg van het Amerikaanse Standard Oil had in een rapport voor de Amerikaanse regering in 1949 het volgende geschreven over de Turken: ‘De indruk die ik van het land heb is dat ondanks de dunne laag uit het buitenland geïmporteerde en van bovenaf opgelegde moderniteit het grootste deel van de bevolking nog altijd in middeleeuwse omstandigheden leeft.’ In de jaren dat deze Amerikaan de jonge Turkse republiek had aangedaan was 68 procent van de Turkse volwassenen analfabeet.

Dertig jaar later rapporteert een andere Amerikaan over Turkije. Het is deze keer de antropologe Carol Delaney die haar licht laat schijnen over de inwoners van Anatolië: ‘De boeren moeten werken, maar van harte doen ze het niet. Op alle vormen van het verrichten van arbeid wordt neergekeken. Het werken wordt niet als een manier gezien om het leven te verrijken. De voornaamste activiteit is het “zitten”.’ In de kleine flat die uit vier verdiepingen bestaat en waar alle vier etages aan meneer Feyzullah en zijn zonen toebehoren, zitten ook wij. Het wachten is op de bekroning van de heuglijke gebeurtenis: eten dat in picknickbordjes rondgedeeld gaat worden aan de gasten. Maar de gasten moeten nog even geduld opbrengen eer ze de vorken in de gevulde wijnbladeren kunnen prikken. Meneer Feyzullah heeft nog een appeltje te schillen met alles en iedereen. Dat zijn dochter in het geheim maandenlang een relatie had en dit verlovings­ritueel tot een formaliteit heeft gedegradeerd, dat iedereen weet dat de bruidegom in de keuken ‘stiekem’ van zijn cola-cognac nipt, dat onder de gasten twee mannen zijn die bij het korte gebed van de imam in ongeziene rebelsheid hun handen niet hebben geopend voor een amen – dat is allemaal nog tot daaraan toe. De helft van de gasten heeft ook nog eens in alle brutaliteit verzuimd om pantoffels mee te nemen. Meneer Feyzullah en zijn vrouw hadden dit verzoek onderstreept toen ze de gasten hadden uitgenodigd: ‘Neem pantoffels mee, we accepteren geen schoenen in ons huis.’ Terwijl de opgemaakte vrouwen in korte rokken met hun hippe telefoons foto’s maken van de mooie dochter van meneer Feyzullah doen ze dat op hun stilettohakken. Meneer Feyzullah is geërgerd en haalt nu een heel oude traditie uit de kast: ‘Ik wil een bruidsschat voor mijn dochter. Veertig­duizend lira, een auto en een bromfiets voor mijn jongste zoon.’ Het rebelleren heeft meneer Feyzullah goed gedaan, hij huilt niet meer.

De nieuwe Turkse middenklasse in de woonkamer van meneer Feyzullah heeft niet alleen de gevulde wijnbladeren en de broodjes met kaas achter de kiezen, maar ook deze meneer Feyzullah. De mensen in de woonkamer lachen de gastheer uit. Meneer Feyzullah is opeens verworden tot een boer met kiespijn. Hij redt zich uit de klauwen van de nieuwe Turkse middenklasse door te doen alsof hij een grapje heeft gemaakt.

Deze mensen, allemaal afkomstig van de voet van de bergen van Anatolië, mensen die hun kindertijd doorbrachten langs rivierbeddingen, in dorpen waar slechts drie maanden werd gewerkt om het graan te oogsten en om die naar binnen te brengen, ‘zitten’ de laatste dertig jaar niet meer. In dat achterlijke Anatolië en in de grote steden als Istanbul en Ankara heeft een economisch wonder plaatsgevonden dat wordt vergeleken met de tijgers van Oost-Azië. Een aantal Anatolische steden heeft zich tot industriecentra weten te ontwikkelen en doet mee in het globale concurrentiespel. Vanuit deze steden exporteren de Turken auto’s, landbouw­producten, wapentechnologie en textiel naar alle delen van de wereld. Zelfs de handdoeken van het Nederlandse koningshuis worden in de stad Denizli geproduceerd, in gecodeerde kluizen gedaan en dan naar Nederland gevlogen.

De industriële revolutie heeft eerst het platte­land leeg laten lopen. Woonde dertig jaar geleden meer dan zeventig procent van de bevolking in rurale gebieden, in het hedendaagse Turkije is bijna tachtig procent van de mens een stedeling. Deze nieuwe stadsmensen maken kennis met de nieuwe wereld van het kapitalisme. De stad dwingt de boeren van weleer om harder te werken en hoge ambities te koesteren. In rap tempo is er een middenklasse ontstaan die er niet voor schroomt om te vechten tegen de krachten die haar in de weg staan. En wie anders zijn het dan de ‘vaders’ die de nieuwe Turkse mens op het pad proberen te houden van de oude patriarchale samenleving?

De dood van ‘de’ vader van de Turken (Kemal Atatürk) is inmiddels 74 jaar geleden. Maar de mensen van Anatolië hebben in die zeven decennia nooit het gemis hoeven voelen van vaders die zich als zijn vervangers aandienden. Legde de vader des vaderlands in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een West-Europese leefstijl op aan de zittende boeren van Klein-Azië, zijn collega-generaals combineerden deze onmogelijke moderniteit met een bondgenootschap met de rijke elite uit Istanbul. In de tijd van Atatürk werden de boeren verplicht om Franse hoeden te dragen, de generaals die door middel van staatsgrepen aan de macht kwamen en om de beurt het paleis van wijlen vader betrokken, sloten deals met de paar rijkste families om in ruil voor de belangrijkste monopolies niet te tornen aan de privileges van het leger en het nationalistische gedachtegoed van Atatürk. Voor dit doel werd om de tien jaar een coup gepleegd. Elke coup had tot gevolg dat dissidente meningen verbrijzeld werden, de Koerdische minderheid die weigerde te assimileren martelingen en moordpartijen moest ondergaan, de arme, religieuze massa’s in Anatolië te bang waren om hun stem te verheffen en alle lagen van de bevolking voor een beetje vrijheid de ogen op de lippen richtten van de ‘nieuwste’ vader.

In de jaren negentig is het tij echter gekeerd. Onder de schaduw van een slecht functionerende democratie, de bulderende generaals die met een nieuwe staatsgreep dreigden, de staatsterreur in de Koerdische steden en een nationalistische onderdrukking van religieuze en linkse groeperingen begonnen Anatolische ondernemingen her en der grote successen te boeken. Conservatieve ondernemers boekten goede resultaten met hun handel in textiel- en landbouwproducten. Dit deden ze zonder enige steun van de overheid, die ervaring had met een samenwerking met de Istanbul-magnaten maar niet met deze ‘besnorde’ moslims uit de achtergebleven gebieden. Deze rijkdom breidde zich als een inktvlek uit over heel Turkije. En toen het nieuwe millennium was aangebroken, wilden de nieuwe industriëlen van Turkije zelf was­machines en koelkasten produceren voor de middenklasse van hun eigen steden. Ze wilden geen tussenpersoon meer zijn tussen de fabrieken van de bazen uit Istanbul en hun steden waar de welvaart toenam.

De laatste coup van het land is mede verwezenlijkt om het bondgenootschap tussen het leger en de Istanbul-industriëlen in stand te houden. De vaderende generaals zetten in 1997 voor een laatste keer de macht naar hun hand, stuurden de toenmalige regering naar huis, hielpen hun eigen politici in het zadel en keken toe hoe staatsbanken leeggeplunderd werden door medestanders.

De eeuwige vraag van de kip en het ei kan nu ook over de eerste jaren van de 21ste eeuw in Turkije gesteld worden: heeft de prille middenklasse de huidige regeringspartij akp gemaakt, of was de akp van Tayyip Erdogan de kip die op het ‘ei van de democratie’ heeft gebroed? Wellicht is het geen slecht idee om, als het gaat om het ontrafelen van dit universele raadsel, in het Turkse geval maar aan te nemen dat noch de kip van het ei komt noch het ei van de kip. In Turkije is het kuikentje van de kip gekomen. De immer onderdrukte arme Turken hebben door te emigreren naar de grotere steden, door hard te werken, door de rest van de wereld te ontdekken, door hun waar in de hele wereld aan de man te brengen en zo hun middenklasse te vormen een politieke partij gecreëerd die bestond uit leiders die qua uiterlijk vertoon, de beleving van de islam en de traditionele waarden op hen zelf lijken.

‘Het kuikentje’ heeft in bijna tien jaar de weg vrijgemaakt voor deze hongerige Turken. Het monopolie van het Istanbul-kapitaal is gebroken, een groot deel van de nog levende generaals die zich schuldig hebben gemaakt aan coups zit achter de tralies, de steden van Anatolië zijn met mooie wegen met elkaar verbonden, zelfs in de meest afgelegen stad is er tegenwoordig een vliegveld. De armoedige Turk die voorheen dertig uur in de bus zat om van het oosten naar familie in Istanbul te gaan, laat zich nu in een uur naar deze metropool vliegen. De boeren die in de tijd van Atatürk en zijn opvolgers niet in het centrum van Ankara mochten toeren in hun vodden, nemen thans teugjes van hun thee, en wel met het uitzicht op de prachtige Bosporus.

Maar in tien jaar blijft een kuiken geen kuiken. En per slot van rekening kon het Turkse kuiken niet anders doen dan uitgroeien tot een haan. De Turken hebben er na Atatürk en de ettelijke generaals een nieuwe vader bij. Tien jaar leiderschap heeft Erdogan van de man die tegen de status-quo vocht, die het Europese Unie-proces aangreep om meer democratie te brengen naar zijn land en de strijd aanging met het bondgenootschap van het leger en het Istanbul-kapitaal een leider gemaakt die zich graag opwerpt als de nieuwe vader van de Turken.

Erdogan wint verkiezing op verkiezing, heeft nu de volledige macht in handen en maakt daar gebruik van om alle belangrijke beslissingen zelf te nemen. Hij bepaalt niet alleen de koers van de staat, maar ook of de voetbalclubs die zich schuldig hebben gemaakt aan omkoop­praktijken wel of geen straf krijgen, of er terrasjes komen in een uitgaanswijk in Istanbul en of de kinderen vanaf hun vijfde of zesde naar school moeten. De Turkse premier heeft ook andere wensen. Overal waar hij komt verkondigt hij dat Turkse gezinnen minstens drie kinderen moeten maken; goed voor de economie en in de lijn van het islamitische geloof dat een toename van de moslimpopulatie voorschrijft.

Accepteert de pas verrezen Turkse middenklasse een nieuwe vader? De mensen blijven vooralsnog op ‘papa’ stemmen die zo veel voor ze voor elkaar heeft gekregen, maar in de tussentijd doet de nieuwe mens wat hem goeddunkt. De eerste les van moderniteit aan de vrouwen is in de hele wereld de geboortebeperking. Zo ook in Turkije. Terwijl Erdogan te pas en te onpas om meer kinderen vraagt, gooit de Turkse vrouw bij 2,2 kinderen de handdoek in de ring. Want de werkende Turkse vrouw trouwt niet meer zo jong, scheidt steeds vaker en heeft meer kennis over vruchtbaarheidscontrole. De Turkse middenklasse wil net als in de rest van de wereld meer vrije tijd, ze wil reizen en kan daarbij niet beperkt worden door een druk gezin.

De Turkse middenklasse wil, of haar machtige premier het nu wil of niet, uitgaan en genieten van drank van goede kwaliteit. De paradox is dan ook dat onder deze conservatief-islamistische regering de lekkerste wijnen in de hele historie van Turkije worden geproduceerd. Of er wel of geen terrasjes zijn in de straten, het uitgaansleven bloeit. De Turkse middenklasse springt in volle overgave over de hordes die de laatste vader der vaders op de piste zet.

Meneer Feyzullah, een grijs mannetje met alle kenmerken van een vader op kleine schaal, komt op de meest regenachtige avond van de afgelopen tijd terug op de kwestie van de bruidsschat. Hij zegt met zijn ontroerde stem: ‘Vraag ik te veel? Toen ik met mijn vrouw trouwde heb ik mijn schoonvader ook een bruidsschat betaald. Geld, een paard en een pistool.’

De harteloze middenklasse onder zijn dak, die niet eens de moeite heeft genomen om pantoffels mee te nemen, lacht deze keer niet meer. Op de gezichten van de mensen ontstaat slechts een glimlach van ontroering. De dochter van de vader heeft al lang de liefdesdaad verricht met de stiekem cola-cognac drinkende bruidegom. Het vadertje vraagt om een bruidsschat voor een lang geleden ontmaagde wereld.