2. de debielofiele

‘Toen ik klein was, voelden zwakzinnigen zich tot mij aangetrokken. Ik zie nog hoe mijn debiele buurjongetje Keessie met druipende snottebel op de stoep stond te dreinen: “Ihinge, kohom je nou…” Wat later hobbelde manke Jantje altijd met me mee, zodat hij niet in elkaar werd geslagen. En tegen mij is vaak genoeg gezegd dat ik er uitzie als een mongool.

Toen ik na mijn studie psychologie in een psychiatrische kliniek ging werken, wilde ik eerst niets weten van zwakzinnigheid. Uit het raam zag ik wel het paviljoen waar de debielen zaten, maar ik ging er nooit heen. De inrichtingssfeer was daar ook naar: iedereen schermde zichzelf af voor elkaars vreemdheid. Totdat ik er op een dag een collega van me ophaalde. Dat was zo'n bevrijding! Toen ik binnenkwam, stortten ze zich gelijk op mij, knuffelden me en scholden me uit: “Eigenwijs! Achterlijke pooier!” Die ontwapenende openheid en liefde en humor… Sindsdien is de inrichting mijn tweede thuis.
Wat ik genant vind, is dat mensen niet meer willen weten dat zwakzinnigheid deel uitmaakt van de werkelijkheid. Begrijpelijk: ons gezondheidsideaal, onze moderne almachtswaan kan alleen in stand gehouden worden door aan die werkelijkheid voorbij te gaan. Een kwijlende debiel is pijnlijk als je krampachtig probeert gezond te zijn. Vandaar dat ze worden geaborteerd. Of weggestopt in inrichtingen waar loopbaanbegeleiders ze klaarstomen voor fabrieksbaantjes, net als de echte mensen.
Aan de andere kant moet je zwakzinnigen ook niet romantiseren. Zo puur en onaangeroerd door beschavingskwalen zijn ze ook weer niet. Ze zijn gewoon wat ze zijn: zwakzinnig. Vroeger werd dit veel meer geaccepteerd.
Toch vind je in de geschiedenis van de zwakzinnigheid, waar ik een boek over schrijf, die verschrikkelijke dubbelzinnigheid overal terug. Het waren “duivelskinderen” die als bliksemafleiders fungeerden voor de toorn van God. Of het waren “heilige onnozelen”, die juist spraken met de stem van de Heer. Ze hadden in ieder geval een eigen functie als hofnar, kloosterbroeder of dorpsidioot. Het was niet erg dat ze zichzelf waren. Natuurlijk werden ze ook continu bespot, opgejaagd en vermoord.
De leus is nu dat ze moeten leren. Leren om te werken, leren om normaal te zijn. Wat iedereen vergeet, is dat wij ook van hen kunnen leren. In de tijd dat ik ziek was als gevolg van veel te veel willen, deden ze mij inzien dat het niet-kunnen evenzeer bij de werkelijkheid hoort als het wel-kunnen. Mijn kwaal gaf me een vreemde gedachte in: dat het zogenaamde gezonde leven me ziek had gemaakt en dat deze ziekte mij dwong om het ziekmakende gezonde vaarwel te zeggen.
Ik lees graag in de gedichten van mijn bejaarde vriend Antoon Pollmann, een zwakzinnige die zijn hele inrichtingsleven met hartstocht heeft gewijd aan het nietsdoen: “Wij moeten toezien dat er al geprobeerdt is den zaak te overtroeven en dan maar denken dat dat alles in orde zal komen dan is het goedt het zal een langen lijst zijn van mensen die alles kunnen…” ’