Jonathan Littell

2. De welwillenden

Jonathan Littell, De welwillenden (2005)

Meteen bij verschijning in 2006 werd Les bienveillantes bijgezet in het Franse pantheon der literaire meesterwerken. Het was de eerste titel in lange tijd die zowel de Prix Goncourt als de Grand Prix du Roman de l'Académie Française won, en daarbij ontpopte de in Amerika geboren maar in het Frans schrijvende Jonathan Littell zich tot onweerstaanbare genius in de letteren, het type dat interviews weigert en neerkijkt op prijzen. Le Figaro riep hem prompt uit tot ‘man van het jaar’. Hoewel de eerste oplage klein was en Littell niet verwachtte er meer dan een paar duizend te verkopen, deed mond-tot-mondreclame wonderen en tweeënhalf jaar na de verschijning staat de teller op meer dan zevenhonderdduizend verkochte exemplaren in Frankrijk alleen. Niet slecht voor een negenhonderd pagina’s tellend, dichtbedrukt werk over de uitvoering van de holocaust, gezien door de ogen van een perverse SS-officier aan het Oostfront.

Voorzover professoren een 'ontwaarding van de literatuur’ waarnemen, was dit zo'n moment waaruit blijkt dat romans wel degelijk een rol van betekenis spelen in het publieke debat. Verschillende leden van de prestigieuze Académie Française bestempelden het boek als essentieel voor het begrijpen van de trauma’s en misdaden van de twintigste eeuw: diverse oud-verzetslieden (bijvoorbeeld de filmmaker Claude Lanzmann) spraken lof uit over het boek.

De zegetocht van Littell trok over heel Europa (slechte grap: als een pantserdivisie). Niet overal werden de literaire kwaliteiten van het boek op prijs gesteld. Hoewel de meeste recensenten de opbouw aan de hand van de Griekse tragedies waardeerden, was het droge, soms academische taalgebruik een struikelblok en won De welwillenden de beruchte 'Bad Sex Award’ (voor de zin, in Engelse vertaling: 'I came suddenly, a jolt that emptied my head like a spoon scraping the inside of a soft-boiled egg’). Maar nergens werd het belang van de roman in twijfel getrokken. In Duitsland reageerde men kritisch, Littell werd verweten geweld te 'pornoficeren’, maar ook daar stond het belang van een dergelijke roman buiten beschouwing. In Nederland liet NRC Handelsblad zijn voornaamste recensenten opdraven om er meermalen over te debatteren in het Boekenkatern.

Met dit nog vers in het achterhoofd is De welwillenden een van de meest voorspelbare titels in deze top-21. Hoe kan het dan dat het boek in Littells geboorteland volkomen over het hoofd is gezien? Bijna unaniem werd de roman in de Verenigde Staten weggezet als pure kitsch. In The New York Times noemde Michiko Kakutani het 'bewust sensatiegericht en expres afstotend’. De New Yorker, wellicht het meest intellectuele weekblad van de VS, wijdde er welgeteld 140 woorden aan. De slotzin van de recensie: 'As the novel draws to a violent close, its story seems nearly as senseless as the horrors it depicts.’

Senseless, geen belangrijke roman, maar onzin. Waaraan zou dat liggen? Zonder het te weten gaf de inmiddels overleden Norman Mailer een voorzet op die vraag, bij het verschijnen van zijn eigen roman The Castle and the Forest, waarin de duivel een jeugdige Hitler souffleert; wanneer het op nazi-geweld aankomt verdraagt Amerika geen wezenlijke, pure kwaadaardigheid. Geweld komt voort uit normale mensen, die onder abnormale omstandigheden tot extreme daden worden gedreven. Al eerder in De Groene Amsterdammer wees historicus Rob Hartmans op een van de weinige lange recensies die over The Kindly Ones in de Amerikaanse media verschenen; een 5500 woorden tellend stuk van Ruth Franklin in The New Republic. Franklin noemde De welwillenden niet alleen 'een van de meest weerzinwekkende boeken’ die ze 'ooit gelezen’ had, wat het boek volgens haar vooral irrelevant maakte was dat de hoofdpersoon, de SS'er Max Aue, volstrekt ongeloofwaardig was en Littell nergens duidelijk maakte waarom 'een ogenschijnlijk beschaafd en ontwikkeld volk op industriële wijze zes miljoen mensen vermoordde’.

Dat Littell in zijn roman minutieus de dagelijkse praktijk van de holocaust toonde, de bureaucratie, de hiërarchie, de kampen, de executies, gebaseerd op de nieuwste historische inzichten, deed er volgens Franklin niet toe. Wat het boek voor Franklin zo fout maakte, was dat het volkomen afweek van Hannah Arendts bekende thesis zoals ze die formuleerde in Eichmann in Jeruzalem (1963): het is de banaliteit van het kwaad, waarin willoze bureaucraten klakkeloos de joden de gaskamers injoegen, hun geweten wegstoppend achter de onwrikbaarheid van hun Führerbefehlen.

Franklins opvatting ligt precies in het verlengde van het verwijt van Mailer. De inzichten van Arendt zijn zozeer gemeengoed geworden dat we er blijkbaar niet aan mogen tornen. Maar is dat niet de essentie van literatuur? Dat het afwijkt van gebaande paden en in de onbegrensdheid van fictie naar nieuwe verklaringen zoekt? Misschien moeten we Harry Mulisch erbij halen, Arendts medestander van het eerste uur. Ook hij was erbij in Jeruzalem, en wat laat hij zijn hoofdpersoon zeggen in zijn Hilter-roman Siegfried: voor de verklaring van de onuitspreekbare nazi-misdaden schiet de werkelijkheid te kort. Die zijn alleen in fictie te vangen.

Het had het motto voor De welwillenden kunnen zijn.