20. de hoerenloper

‘Kort geleden zag ik op de Wallen nog een nieuwe, opvallend mooie meid. Met de service zal het dan wel tegenvallen, denk ik dan. Maar ik loop daar toch wat heen en weer, en vraag uiteindelijk haar prijs. “Veertig gulden.” Wat doet ze daarvoor? “Nou, alles.” Dat is niet duur. Naar binnen dus om een praatje te maken. Even later, ja hoor, pijpen, neuken, op zijn hondjes, allemaal heel relaxed en dat alles voor veertig piek.

Het grappigste was nog dat ze op het eind zei: “Nou Gerrit, je kan er wat van. Ik vond het wel lekker.” Haha! Dat komt ook doordat ik Prozac gebruik, daar krijg je niet zo'n snelle ejaculatie van.
Wat mij en vele anderen in prostituées bevalt, is dat je er niet echt intiem mee hoeft te worden. Want intimiteit betekent ook dat je gekwetst kunt worden. Dat zal een goede hoer nooit doen. Die hoopt dat je nog eens terugkomt. Honderdduizenden mannen doen dat, hoewel maar weinigen er openlijk voor uitkomen. Maar wat denk je dat die binken op koopavond doen, als hun vrouw in de Bijenkorf op zoek is naar een nieuwe theepot? Die gaan een goeie wip maken. De stad zit niet voor niets vol met hoeren. Prostitutie redt een hoop slechte huwelijken, zeg ik altijd maar.
Mijn persoonlijke voorkeur gaat uit naar vrouwen met een vouw erin, psychisch of lichamelijk. De rafelrand van de samenleving, daar begeef ik me graag in. Veel tippeltantes en raamhoeren zijn heel dappere, vrijgevochten types die heel direct in het leven staan en niets meer te verbergen hebben. Dat fascineert me. Je maakt ook wel gekke dingen mee. Ik had er laatst eentje die bij haar thuis met mij het bed in dook terwijl haar vriend ondertussen naar het voetballen keek. Aardige jongen, die vond het best. Van het geld roken ze dan samen heroïne.
Leven en laten leven, dat is mijn motto. Zolang je mekaar maar geen kwaad aandoet. Wie zichzelf de vernieling in wil helpen, moet dat helemaal zelf weten. Maar wat doe je als je de keuze hebt tussen een armoedig bijstandsbestaan, of met wat dope in je hoofd lekker door de stad rolschaatsen? Om af en toe een klantje op te pikken? Dan kiezen een aantal vrouwen voor het laaste. Live fast, die young, daar is welbeschouwd toch niets mis mee. Trouwens: wat hier taboe is, is elders in de wereld heel gewoon. Elk Afrikaans gehucht heeft zijn eigen hoer, die vaak afkomstig is uit een naburig plaatsje, waar ze verstoten is. In haar nieuwe dorp fungeert ze als volkomen geaccepteerde uitlaatklep voor de mannelijke bewoners, die bij haar terecht kunnen als hun eigen vrouwen er niet zo'n prijs op stellen.
In Oostafrikaanse landen is het zelfs niet ongebruikelijk dat de mannen hun vrouwen eens per week een flink pak slaag geven. Wie dat niet krijgt, klaagt daarover bij haar vriendinnen. Die geven de man dan weer een seintje: “Hé, let eens op je vrouw. Ze komt te kort.” Dan kun je denken: dat is afschuwelijk! Vrouwenhaat! Maar het hoort gewoon bij hun cultuur. En is die niet minstens net zo goed als veel westerse huwelijken, waar de tortelduifjes elkaar na hun wittebroodsweken levenslang negeren? Pers dus niet iedereen in het seksualiteitssjabloon van de zogenaamde westerse beschaving. Die Afrikaanse vrouwen krijgen in ieder geval nog een beetje aandacht.’