De Unie valt uiteen, de euro overleeft

2021: het nieuwe Europa

Historicus Niall Ferguson blikt vooruit op de toekomst van Europa en ziet Griekse tuinmannen, Duitse zonnebaders en een nieuwe fiscale unie. Welkom in de Verenigde Staten van Europa.

WELKOM in Europa, 2021. Er zijn tien jaar verstreken sinds de grote crisis van 2010-2011, die maar liefst tien regeringen de kop heeft gekost, waaronder die van Spanje en Frankrijk. Sommige dingen zijn gebleven, maar er is ook veel veranderd.
De euro is nog steeds in omloop, hoewel bankbiljetten nog maar zelden worden gezien. (Door het gemak van elektronische betalingen vragen sommige mensen zich zelfs af waarom het ooit de moeite waard heeft geleken een Europese munt in het leven te roepen.) Maar Brussel is niet langer het politieke centrum van Europa. Wenen is een groot succes. ‘Het heeft iets met het erfgoed van de Habsburgers te maken’, legt de dynamische nieuwe Oostenrijkse bondskanselier Marsha Radetzky uit. 'Daardoor lijkt de multinationale politiek zo veel leuker te zijn geworden.’
De Duitsers zijn ook blij met de nieuwe situatie. 'Om de een of andere reden voelden we ons nooit zo welkom in België’, herinnert de Duitse bondskanselier Reinhold Siegfried von Gotha-Dämmerung zich.
Het leven is nog steeds niet makkelijk in de periferie van de Verenigde Staten van Europa, zoals de eurozone tegenwoordig wordt genoemd. De werkloosheid in Griekenland, Italië, Portugal en Spanje is gestegen naar twintig procent. Maar de inrichting van een nieuw systeem van fiscaal federalisme in 2012 heeft gezorgd voor een gestage geldstroom vanuit de Noord-Europese kernlanden.
Net als de Oost-Duitsers vóór hen zijn de Zuid-Europeanen gewend geraakt aan deze trade-off. Nu eenvijfde van de bevolking van de regio boven de 65 is en nog eens eenvijfde werkloos, hebben de mensen de tijd om te genieten van de goede zaken van het leven. En er zijn genoeg euro’s te verdienen in deze grijze economie, door te werken als kamermeisje of als tuinman voor de Duitsers, die nu allemaal een tweede huis hebben in het zonnige zuiden.
De VSE hebben er zelfs nog een paar lidstaten bij gekregen. Litouwen en Letland hebben vastgehouden aan hun voornemen tot de euro toe te treden, in de voetsporen van buurland Estland. Polen heeft - onder het dynamische leiderschap van de vroegere minister van Buitenlandse Zaken Radek Sikorski - hetzelfde gedaan. Deze nieuwe landen zijn de uithangborden van het nieuwe Europa, en trekken met hun vlaktaks en betrekkelijk lage lonen Duitse investeringen aan. Maar andere landen zijn uit de Europese Unie getreden.
David Cameron - die inmiddels is begonnen aan zijn vierde termijn als Britse premier - dankt zijn beschermengelen dat hij, nadat hij met tegenzin was gezwicht voor de druk van de eurosceptici in zijn eigen partij, had besloten een referendum te riskeren over het lidmaatschap van de Europese Unie. Zijn liberaal-democratische coalitiepartners pleegden politieke zelfmoord door zich aan te sluiten bij Labours desastreuze 'Ja tegen Europa’-campagne.
Aangespoord door de strijdlustige Londense tabloids had het publiek met 59 tegen 41 procent gestemd vóór een vertrek uit de EU en de Tories vervolgens aan een absolute meerderheid in het House of Commons geholpen. Bevrijd van de Brusselse bureaucratie is Engeland nu de favoriete eindbestemming van directe Chinese investeringen in Europa. En de rijke Chinezen zijn dol op hun appartementen in Chelsea, om maar te zwijgen van hun prachtige Schotse jachtverblijven.
In sommige opzichten zou dit federale Europa zelfs de harten verblijden van de grondleggers van de Europese integratie. De kern bestaat uit het Frans-Duitse bondgenootschap dat in de jaren vijftig op de kaart werd gezet door Jean Monnet en Robert Schuman. Maar de VSE van 2021 is wel iets heel anders dan de Europese Unie die in 2012 uit elkaar viel.

HET IS PASSEND dat de desintegratie van de EU is begonnen in de twee grote bakermatten van de westerse beschaving, Athene en Rome. Maar George Papandreou en Silvio Berlusconi waren geenszins de eerste Europese leiders die ten prooi zijn gevallen aan wat je 'de vloek van de euro’ zou kunnen noemen. Sinds de financiële angst zich vanaf juni 2010 door de eurozone was gaan verspreiden, waren niet minder dan zeven andere regeringen gesneuveld: die van Nederland, Slowakije, België, Ierland, Finland, Portugal en Slovenië. Het feit dat er binnen een tijdsbestek van achttien maanden negen regeringen waren gevallen - waarna er snel nog één zou volgen - was op zichzelf al opmerkelijk.
Maar de euro was niet alleen een moordmachine voor regeringen geworden. Hij had ook voeding gegeven aan een nieuwe generatie populistische bewegingen, zoals de Nederlandse PVV en de Ware Finnen. België stond op het punt uiteen te vallen. De structuur van de Europese politiek stond op instorten.
Wie zou de volgende zijn? Het antwoord lag voor de hand. Na de verkiezingen van 20 november 2011 was de Spaanse premier José Luis Rodríguez Zapatero afgetreden. Zijn nederlaag was al zó'n uitgemaakte zaak dat hij in april al had besloten zich niet meer herkiesbaar te stellen. En na hem? De volgende leider die in de problemen kwam was de Franse president Nicholas Sarkozy, die in april 2012 herkozen had kunnen worden.
De vraag die iedereen zich in november 2011 stelde, was of de Europese monetaire unie - die in de jaren negentig zo nauwgezet in elkaar was gestoken - het zou kunnen begeven. Veel deskundigen dachten van wel. De invloedrijke econoom Nouriel Roubini van New York University betoogde dat niet alleen Griekenland maar ook Italië de euro vaarwel zou moeten zeggen - of uit de eurozone moest worden gezet.
Maar als dat zou zijn gebeurd, is moeilijk in te zien hoe de eenheidsmunt had kunnen overleven. De speculanten zouden hun aandacht onmiddellijk hebben verlegd naar de banken in de volgende zwakste schakel (waarschijnlijk Spanje). Intussen zouden de vertrekkende landen erachter zijn gekomen dat ze nog slechter af waren dan eerst. Binnen een mum van tijd zouden al hun banken en de helft van hun niet-financiële ondernemingen insolvabel zijn geworden, met schulden in euro’s en bezittingen in drachmen of lires.
Het herstel van de oude valuta’s zou ook vreselijk duur zijn geweest in een tijd van toch al chronische tekorten. Nieuwe leningen hadden onmogelijk gefinancierd kunnen worden, behalve door het bijdrukken van geld. Deze landen zouden snel in een inflatoire duikvlucht terecht zijn gekomen, die alle voordelen van een devaluatie teniet zou hebben gedaan.
Om al deze redenen heb ik nooit serieus gedacht dat de eurozone uiteen zou kunnen vallen. In mijn optiek leek het veel waarschijnlijker dat de eurozone zou overleven - en dat de Europese Unie zou desintegreren. Er was immers geen wettelijk mechanisme voor een land als Griekenland om de monetaire unie te verlaten. Maar op grond van het bijzondere artikel 50 van het Verdrag van Lissabon kon een lidstaat de EU wel vaarwel zeggen. En dat is precies wat de Britten hebben gedaan.

GROOT-BRITTANNIË heeft geluk gehad. Toevallig, door een persoonlijke ruzie tussen Tony Blair en Gordon Brown, heeft Engeland zich niet bij de eurozone aangesloten nadat Labour in 1997 aan de macht was gekomen. Als gevolg daarvan bleef Engeland een economische ramp bespaard toen de financiële crisis eenmaal had toegeslagen.
Met een begrotingspositie die weinig beter was dan die van de meeste mediterrane staten en een veel groter bankstelsel dan welke andere Europese economie ook, zou Groot-Brittannië mét de euro een soort Ierland 'tot de achtste macht’ zijn geweest. In plaats daarvan was de Bank of England in staat een agressief monetair beleid te voeren. De nulrente, 'kwantitatieve versoepeling’ (het opkopen van eigen staatsobligaties) en een devaluatie van het pond verzachtten de pijn en stelden de 'ijzeren minister van Financiën’ George Osborne in staat de obligatiemarkten vóór te zijn met een preventief bezuinigingsbeleid. Een beter argument voor de voordelen van nationale autonomie zou moeilijk te bedenken zijn geweest.
Aan het begin van het premierschap van David Cameron in 2010 hadden sommigen hun zorg geuit dat het Verenigd Koninkrijk uit elkaar zou kunnen vallen. Maar door de financiële crisis waren de Schotten van hun onafhankelijkheidsstreven teruggekomen; kleine landen was het in de crisis immers zeer slecht vergaan. En in 2013 kozen de kiezers in de Ierse Republiek ervoor de soberheid van de VSE in te ruilen voor de welvaart van het Verenigd Koninkrijk. De postsektarische Ieren begroetten hun burgerschap van het 'Herenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland’ met de slogan: 'Beter Brits dan Brussel.’
Iets anders wat niemand in 2011 had verwacht betrof de ontwikkelingen in Scandinavië. Geïnspireerd door de Ware Finnen in Helsinki weigerden de Zweden en de Denen - die zich nooit bij de euro hadden aangesloten - het Duitse voorstel te aanvaarden voor een 'overdrachtsunie’ om Zuid-Europa te redden. Toen de rijke Noren het initiatief namen voor een uit vijf landen bestaande Noorse Liga - inclusief IJsland - bleek dat idee in vruchtbare aarde te vallen.
Het nieuwe arrangement is ook in Duitsland niet bijzonder populair. Maar anders dan in andere landen, van Nederland tot Hongarije, blijft ieder soort populistische politiek verboten in Duitsland. De poging om een partij van 'Ware Duitsers’ op te richten (Die wahren Deutschen) liep met een sisser af, te midden van de gebruikelijke aantijgingen van neonazisme.
De nederlaag van Angela Merkels coalitie in 2013 kwam niet als een verrassing, na de Duitse bankencrisis van een jaar eerder. De belastingbetalers waren zeer ontstemd over Merkels besluit Deutsche Bank de helpende hand toe te steken, ondanks het feit dat de leningen van Deutsche Bank aan de Europese Financiële Stabiliteits Faciliteit (EFSF) op verzoek van haar regering waren gedaan. Het Duitse publiek had er gewoonweg genoeg van om banken te redden. Occupy Frankfurt won.
Toch hebben de oppositionele sociaal-democraten vervolgens in wezen hetzelfde beleid gevoerd, zij het vanuit een méér pro-Europese overtuiging. Het was de SPD die er een verdragsherziening doorheen wist te drukken, die leidde tot de oprichting van het Europese Financieringskantoor - feitelijk een Europees ministerie van Financiën, gevestigd in Wenen.
Het was de SPD die het vertrek van de lastige Britten en Scandinaviërs verwelkomde, en de overige 21 landen ertoe wist te bewegen zich bij Duitsland aan te sluiten in een nieuwe federale Verenigde Staten van Europa, door het sluiten van het Verdrag van Potsdam in 2014. Met de toetreding van de zes resterende ex-Joegoslavische staten - Bosnië, Kroatië, Kosovo, Macedonië, Montenegro en Servië - steeg het aantal lidstaten van de VSE naar 28, één meer dan dat van de EU voor de crisis. Door het uiteengaan van Wallonië en Vlaanderen kwam het totaal uiteindelijk zelfs op 29 uit.
Van cruciaal belang was dat het ook de SPD was die het optreden steunde van Mario Draghi, de Italiaanse bankier die begin november 2011 president was geworden van de Europese Centrale Bank. Draghi ging zijn mandaat ver te buiten door op enorme schaal indirect Italiaanse en Spaanse staatsobligaties op te kopen. Daarmee wist hij een paar weken na zijn aantreden op dramatische wijze een einde te maken aan de crisis op de obligatiemarkten. Hij maakte van de ECB feitelijk een laatste noodstop voor in betalingsproblemen verkerende regeringen.
Maar Draghi’s beleid van 'kwantitatieve versoepeling’ had de grote verdienste dat het werkte. Het uitbreiden van de balans van de ECB legde een vloer onder de huizenprijzen en aandelenkoersen, en wist het vertrouwen te herstellen in het hele Europese financiële stelsel, net zoals dat in 2009 in de Verenigde Staten was gebeurd. Draghi zei in een interview in december 2011: 'De euro kon worden gered door er flink wat van bij te drukken.’
De Europese monetaire unie viel dus niet uiteen, ondanks de sombere voorspellingen van de deskundigen eind 2011. Integendeel, in 2021 wordt de euro door meer landen gebruikt dan voor de crisis.
Nu de toetredingsonderhandelingen met Oekraïne van start gaan, praten Duitse regeringsfunctionarissen enthousiast over een toekomstig Verdrag van Jalta, dat Oost-Europa opnieuw zou moeten verdelen in een Russische en Europese invloedssfeer. Een bron uit de omgeving van kanselier Von Gotha-Dämmerung grapte afgelopen week: 'We vinden het niet erg dat de Russen de pijpleidingen hebben, als wij maar de stranden langs de Zwarte Zee krijgen.’

ACHTERAF gezien was het misschien maar goed ook dat de euro werd gered. Een complete desintegratie van de eurozone, met de monetaire chaos van dien, zou onbedoeld nare gevolgen kunnen hebben gehad. Te midden van de koortsachtige machinaties waardoor Papandreou en Berlusconi aan de kant werden geschoven, was het makkelijk uit het oog te verliezen dat zich aan de andere kant van de Middellandse Zee nog dramatischer gebeurtenissen afspeelden.
Destijds, in 2011, waren er nog steeds mensen die geloofden dat Noord-Afrika en het Midden-Oosten een stralend nieuw tijdperk van democratie zouden binnengaan. Maar vanuit het perspectief van 2021 lijkt een dergelijk optimisme nu bijna onbegrijpelijk. De gebeurtenissen van 2012 shockeerden niet alleen Europa, maar de hele wereld. De Israëlische aanval op de nucleaire faciliteiten van Iran was als het gooien van een brandende lucifer in het kruitvat van de Arabische lente. Iran lanceerde een tegenaanval via zijn bondgenoten in Gaza en Libanon.
Omdat ze er niet in waren geslaagd de Israëliërs van hun actie te weerhouden, moesten de Verenigde Staten weer eens genoegen nemen met een bijrol. Ze boden minimale hulp en probeerden tevergeefs de Straat van Hormoez open te houden zonder een schot te hoeven lossen. (Toen de hele bemanning van een Amerikaans oorlogsschip gevangen werd genomen en in gijzeling werd gehouden door de Iraanse Revolutionaire Garde, vervlogen de minieme kansen van president Obama om te worden herkozen.)
Turkije nam de gelegenheid te baat om zich aan de kant van Iran te scharen, en schudde tegelijkertijd de door Atatürk verordonneerde scheiding tussen staat en islam van zich af. Gesterkt door een verkiezingsoverwinning nam de Moslimbroederschap de teugels van de macht in handen in Egypte en maakte zij een einde aan het vredesverdrag met Israël. De koning van Jordanië had geen andere keuze dan dit voorbeeld te volgen. De Saoedi’s waren woedend, maar konden het zich niet veroorloven voor 'vrienden’ van Israël door te gaan, hoe graag zij ook wilden voorkomen dat Iran een kernmacht zou worden. Israël was geheel geïsoleerd. De Verenigde Staten hadden andere zaken aan hun hoofd, nu president Mitt Romney zich richtte op de 'sanering’ van de balans van de federale overheid.
De Verenigde Staten van Europa kwamen op het nippertje tussenbeide om het scenario te verijdelen waar met name de Duitsers heel bang voor waren: dat Israël in zijn wanhoop naar het kernwapen zou grijpen. Sprekend vanuit het mooie nieuwe hoofdkantoor van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de VSE aan de Weense Ringstrasse verklaarde de Europese president Karl von Habsburg op Al Jazeera: 'Eerst waren we bang voor de gevolgen van een nieuwe olieprijsstijging voor onze geliefde euro. Maar bovenal maakten we ons zorgen om geconfronteerd te worden met nucleaire neerslag in onze favoriete vakantiegebieden.’
Terugkijkend op de voorgaande tien jaar kon Von Habsburg - bij zijn naaste medewerkers nog steeds bekend onder zijn koninklijke titel aartshertog Karl van Oostenrijk - zich met recht trots voelen. De euro was niet alleen overeind gebleven, maar op een of andere manier had, een eeuw na de afzetting van zijn grootvader, het Habsburgse Rijk zich opnieuw geformeerd als de Verenigde Staten van Europa.
Geen wonder dat de Britten en de Scandinaviërs dat gebied nu het 'Voltooide Duitse Rijk’ noemen.


Lees ook:

Het korte leven en de dood van Planeet FinanciënDE EXCESSEN VAN HET HEFBOOM-TIJDPERK
Niall Ferguson

Rivaliserende wereldrijkenEssay: Dicht John Kerry de kloof tussen de VS en Europa?
Niall Ferguson

Niall Ferguson doceert geschiedenis aan de Universiteit van Harvard en is auteur van onder meer The Ascent of Money: A Financial History of the World en Civilization: The West and the Rest, dat deze maand bij Penguin verschijnt

Vertaling Menno Grootveld