KUNST

21 gram

Offspring 2009

Vlak voor Art Amsterdam openden twee tentoonstellingen van, onbeleefd gezegd, de beloften in het vak. Daaronder vallen de presentaties van de tijdelijke bewoners van De Ateliers, in Amsterdam, en ook de tentoonstelling van de genomineerden voor de Prix de Rome (shortlist en longlist), verdeeld over de tijdelijke behuizing van De Appel in de Westergasfabriek (Amsterdam) en de zalen van Witte de With (Rotterdam).
Voor wie ze niet kent: De Ateliers zijn een onafhankelijk instituut, ondergebracht in het oude gebouw van de Rijksacademie in Amsterdam. Het is geen post-doc-onderwijsinstelling, maar het wordt geleid door beeldend kunstenaars, die de jonge kunstenaars in de 23 ateliers eens per week van feedback voorzien. Offspring 2009 toont werk van twaalf van hen, die deze zomer hun tweejarige werkperiode afronden.
In de presentatie is iets van een voorkeur herkenbaar. De Ateliers heeft een zekere hang naar het ambachtelijke, het ‘echte schilderen’, bijvoorbeeld. Schilders maken een belangrijk deel uit van de presentatie, met Emine Gündüz (Nederland), Hans Hoekstra (Nederland), Wieske Wester (Nederland), Kate Bicât (Engeland) en Esiri Erheriene-Essi (Engeland). Het is allemaal fraai werk, degelijk werk, doorwrocht werk; de grote hiphop-punkschilderijen van Erheriene-Essi vallen in het bijzonder op, omdat ze wel erg veel leven in zich hebben, een sterk engagement met antiracisme vertonen en een kleurrijk enthousiasme verbreiden dat gemakkelijk de kijker raakt.
De power in de tentoonstelling komt echter van twee grote, meer gecompliceerde presentaties van sculptuur en andere media. David Jablonowski (Bochum, 1982), ten eerste, was al eens in het Stedelijk Museum te zien; hij combineert zeer grote beweeglijke en toch architecturale beelden met heel kleine, tere beeldjes langs de wand, die naar middeleeuwse miniaturen verwijzen.
Het zijn bij elkaar grote verhalen, en groot is ook echt groot: Momentary Imposition, bestaand uit een grote staande molen met drie sierlijk opwaaiende platen multiplex, geeft je het gevoel dat je onder het geopende vrachtluik van een Boeing staat, of op een gedemonteerde windturbine. David Jablonowski wordt op Art Amsterdam getoond door galerie Fons Welters, die ook ilvinas Landzbergas (Ateliers lichting 2007) in zijn stal heeft.
Nog alomvattender en imposanter is het werk van Christian Friedrich (Freiburg, 1977), die een hele atelierruimte vult met beelden, een videofilm en muziek (en af en toe het licht uitdoet, ook nog). Die beelden zijn curieus: het zijn ruwe schetsen van lichamen, zijn eigen daaronder, haastig gemaakt door een lichaam in zijn studio met gips te beplakken, om een toevallige houding of het gevoel van een gelukkig ogenblik te vatten. De film laat zien in welke situatie die beelden worden vervaardigd: een kalm erotisch samenspel tussen kunstenaar en model in het atelier, met weemoedig pianogetingel. NRC Handelsblad noemde het ensemble ‘wagneriaans’, maar ik zou het eerder ‘fassbinderiaans’ noemen, een intense confrontatie met obsessies, taboes, seks; één van de afgietsels is van een kont, waarin net klaargekomen is. Dat klinkt grof (en dat is het ook wel), maar het is een geste die doet denken aan de oude zoektocht naar waar de ziel zich bevindt, in het lichaam, die 21 gram ‘niets’ die verdwijnt, als er iemand sterft. Een vergelijkbaar teer en efemeer fenomeen, de liefde die in seks besloten ligt, dat wat vervliegt bij een ejaculatie, dat is wat Friedrich wil vatten.

Offspring 2009, De Ateliers, Stadhouderskade 86 Amsterdam, t/m 24 mei; www.de-ateliers.nl. Art Amsterdam, RAI, 13 t/m 17 mei, www.artamsterdam.nl