Harry Mulisch

21. Siegfried

Over de herlezing van Siegfried, een zwarte idylle deed ik nog geen tweeënhalf uur. Die vaart heeft alles te maken met het feit dat er na een halve eeuw schrijverschap een zekere onontkoombaarheid is geslopen in het proza van Harry Mulisch, helder en direct, waarin de verschillende verhaallijnen, de metafictie en de filosofische uitweidingen als vanzelfsprekend over elkaar heen vallen. 213 pagina’s lang. Het was een fijne zaterdagmiddag.

Mulisch is een schrijver die als geen ander de lezer zijn ideeënwereld oplegt (het heeft iets ontroerends, op Mulisch’ leeftijd, dat-ie nog altijd zo graag wil laten weten wat hij allemaal weet), maar het onwaarschijnlijk knappe aan Siegfried is dat alle ideeën die Mulisch presenteert zo voor de hand liggend lijken dat je je niet kunt voorstellen dat ze nog nooit eerder door een romancier zijn geformuleerd - zoals je je ook niet voor kunt stellen dat iemand ooit de paperclip heeft uitgevonden.

De premisse van Siegfried is de volgende: wat als Hitler een zoon had gehad? Tijdens een bezoek aan Wenen wordt succesauteur Rudolf Herter aangesproken door het oudere echtpaar Falk, dat ooit werkzaam was als personeel op Hitlers buitenverblijf Berghof op de Obersalzberg. Ze vertellen hem dat op de dag van de Reichskristallnacht Eva Braun een zoon heeft gebaard, uiteraard vernoemd naar de door Hitler zo bewonderde held uit Wagners Ring des Nibelungen: Siegfried. Maar Siegfried moest geheim blijven, de Führer moest immers ‘van alle vrouwen blijven’, en de Falks worden gedwongen 'Siggi’ als hun eigen kind op te voeden. Later, als nazi-Duitsland door het Rode Leger dreigt te worden overlopen, krijgt meneer Falk de opdracht het kind te doden.

Voor Mulisch, en voor vele intellectuelen van zijn generatie en de generaties daarna, is Hitler altijd een object van obsessie geweest. De spil van het drama van de twintigste eeuw, een man die ondanks honderdduizenden studies nooit logisch verklaard is. Waar meneer Falk uit angst het doodsbevel uitvoert zonder te snappen waarom, snapt Herter het meteen. Herter haast zich naar zijn hotelkamer en voert een onnavolgbare monoloog in zijn dictafoon; het definitieve woord over Hitler moet eruit en het woord is Niets, letterlijk. Hitler is het Grote Niets, geen buitenaards wezen, maar een buitenzijns wezen, geen onlogisch persoon, maar een logisch onpersoon.

En dan, als Herter het geheim van het universum denkt te doorgronden - net als Max Delius in De ontdekking van de hemel - sterft hij. Herters geliefde vindt zijn lichaam, en als een dokter hem officieel doodverklaart, roept ze: 'Maar hoe kan dat ineens? Een half uur geleden leefde hij nog?’

Want dat is ook Mulisch, die weet dat het leven, liefde en dood, ook draaien om de onlogica van het hart. Wat hoop ik toch dat Mulisch nog eens met een roman komt.