21 vragen aan: A.M. Homes

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn? en twintig andere vragen aan A.M. Homes, wier verhalenbundel Dagen van inkeer onlangs verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Ik had graag zowat alles van Nabokov geschreven. Als ik dan toch een keuze moet maken, dan wel Pale Fire. En Lolita. Het feit dat hij Lolita rechtstreeks in het Engels schreef, zonder Russische tussenstap, verbaast me mateloos. Maar zijn werk zou pas het begin zijn van een lange lijst boeken die ik liever zelf schreef.

© De Bezige Bij / Marion Ettlinger

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Joan Didion. Al weet ik niet helemaal zeker of wij wel echt tijdgenoten zijn. Maar we zijn allebei Amerikaanse schrijvers en we leven nog.

Welke schrijver of welk boek is naar uw idee het meest onderschat? En waarom?
Joyce Carol Oates. Geen specifiek boek, maar haar hele oeuvre. Ik geloof dat ze onderschat wordt omdat ze zo productief is: mensen worden overrompeld door haar werk. Zij is zo onwaarschijnlijk afgestemd op wat er gaande is in onze cultuur en ze is niet bang om te schrijven over de donkerte en het geweld – op een manier die veel mensen zich waarschijnlijk ongemakkelijk doet voelen. Ik bewonder haar erg.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Hier antwoord ik liever niet op. Ik spreek me niet graag uit in negatieve termen over andere schrijvers. We leven in een tijd waar de ruimte voor berichtgeving over boeken gekrompen is: er wordt steeds minder gesproken over boeken. Dus tenzij je iets werkelijk negatiefs kwijt wil over het boek van een ander geef je beter geen negatief commentaar.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik zou een mannelijke schrijver willen zijn in het New York van de jaren vijftig of een vrouwelijke schrijver in het Californië van de jaren zestig.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Ik zou terugkeren naar het boek Country of Mothers en het psychologisch dreigender maken. Het is een verhaal over een vrouw die haar kind opgaf voor adoptie. Later in haar leven werkt ze als therapeute en is ze ervan overtuigd dat een van haar nieuwe patiënten eigenlijk haar kind is en die gedachte maakt haar gek. Ik denk dat ik het verhaal in z’n geheel intenser zou maken. Bijna meer een thriller. Het zou meer over het gevaar gaan van de fragiliteit van de geest: hoe fragiel ons identiteitsbesef is. Geen echte wijzigingen in de verhaalstructuur, dus, maar eerder in de toon. Ik zou dieper graven in de psychologische specificiteit van wat er tussen hen gaande is, in de wisselwerking tussen die twee personages. Het zou beangstigender worden, en daarom ook echter.

Wat is uw minst favoriete fictieve personage?
In The Road van Cormac McCarthy vond ik de personages zo ongelooflijk donker en harteloos. Dat apocalyptische gevoel waarin het leven en het licht uit de wereld gezogen worden: dat vond ik heel erg moeilijk.

Met welk fictief personage identificeert u zich het meest?
Flat Stanley. Dat is een kinderverhaal over een jongen die onder een prikbord belandt en vanaf dat moment plat door het leven moet. Curious George, ook, de chimpansee uit de kinderboekenreeks. Het is grappig, maar ik meen het. Of het nu Flat Stanley is, Curious George of Pippi Langkous: dat gevoel van avontuur, van nieuwsgierigheid en levendigheid vind ik steeds terug in de personages uit kinderboeken. De zin voor het spel van de verbeelding, ook. Ik leef in een wereld van de verbeelding en daarin schuilt een groot geluk. Dat is waarom ik me met die personages identificeer. En ik kom gewoon ook graag in speelgoedwinkels.

Wat is het meest beroemde boek dat u niet heeft gelezen/het meest beroemde toneelstuk dat u niet heeft gezien/het meest beroemde album dat u nooit beluisterd heeft/de meest beroemde film die u nooit heeft gezien?
Het meest beroemde stuk dat ik niet zag is Cats. Dat zal er ook nooit van komen, dat lukt me niet. Ik heb nog nooit naar een album van Madonna geluisterd. Nog nooit! Dat bedacht ik vannacht. Ik las ook nog nooit Op zoek naar de verloren tijd. Ik weet niet welke film ik nog niet gezien heb die ik nog zou moeten zien: er zijn zoveel films die ik nog moet zien.

Heeft u verborgen talenten?
Ik heb er veel en waarschijnlijk heb ik talenten die ik zelf nog niet ontdekte. Dit zijn sommige van de dingen die ik doe: ik kan drummen, ik kan zeilen, ik maak erg lekkere pannenkoeken en ik schilder graag. Toen ik jonger was, had ik een band. Ik speel rock-‘n-roll, geen jazz of zo, gewoon echte, serieuze rock-‘n-roll. Zo luid dat de buren erover klagen.

Wat is het beste schrijfadvies dat u ooit heeft gekregen?
De schrijfster Grace Paley was mijn leraar. Zij sprak vaak over het belang om te schrijven vanuit de waarheid volgens je personage. In fictie betekent dit in se dat je niet over jezelf schrijft. Je schrijft over datgene wat accuraat is voor de personages waarover je schrijft. Dat is iets waar ik zowel in mijn eigen werk als in de lessen die ik geef erg hard aan werk: uitzoeken wat er nu accuraat is voor dit of dat personage, voor het verleden van deze persoon, zijn socio-economische achtergrond, zijn verlangens – alles wat voorafging aan het moment waarop we nu aan het schrijven zijn. Dat heeft me altijd heel erg goed geholpen.

In hoeverre zou schrijven een politieke bezigheid moeten zijn?
Laat ik opnieuw naar Grace Paley verwijzen. Zij zei enerzijds dat schrijven geen politieke daad is. Als je schrijft doe je namelijk vooral je best om het verhaal te vertellen dat je wil vertellen. Ze vergeleek het met het opbellen van een loodgieter. Dat doe je niet als politiek statement: je probeert gewoon problemen op te lossen. Anderzijds is schrijven altijd een politieke daad. Het pogen om met anderen te communiceren, het wereldbeeld van een ander proberen te delen is uiteindelijk steeds politiek, zowel in de kleine als in de grote betekenis van dat woord. Dat kun je niet ontkennen. Ook door te beslissen om ‘niet politiek’ te schrijven en je dus niet te engageren in een politieke discussie maak je een politieke keuze.

Wat leest u in moeilijke tijden?
Ik lees The New England Journal of Medicine. Echt waar! Ik trakteerde mezelf op een abonnement als kerstcadeau en nu krijg ik het elke week. Geneeskunde fascineerde me altijd al: als jong meisje ging ik al naar de nationale bibliotheek voor geneeskunde – niet echt een normale bezigheid voor een zestienjarige. Ik denk dat ik er troost in vind omdat zo’n magazine aantoont dat, ook al gebeuren er allerlei afschuwelijke zaken in de wereld, we nog steeds kleine stapjes vooruit zetten – in het behandelen van ziektes, bijvoorbeeld. Daarnaast lees ik ook erg veel geschiedkundige boeken, heel veel non-fictie. Zowel om in andere werelden en tijden terecht te komen als om een bredere context te verwerven: hoe zijn we hier beland?
Ik wend me blijkbaar tot een erg heterogene verzameling teksten in moeilijke tijden. Iets helemaal anders wat ik lees als het moeilijk gaat – iets totaal anders – is het werk van Patti Smith. Zij schreef net een nieuw boek dat ik opnieuw heel goed vind: New Jerusalem. Ze woont om de hoek bij mij in New York en we ontbijten in hetzelfde koffiehuis. Het is een grappige situatie: zij zit steevast aan een tafeltje bij de muur, met haar rug naar de zaak. Daardoor herkennen mensen haar niet en kan ze rustig schrijven en koffie drinken. Soms kom ik er met Anne Carson, waardoor dat kleine koffietentje plots over een uitzonderlijk dichte concentratie van schrijfsters beschikt. Ik had ooit een heel mooi, lang gesprek met Patti, maar dan zie ik haar terug in dat koffiehuis en vraag ik me af of ze zich dat wel herinnert. We waren allebei bevriend met Lou Reed en Laurie Anderson en er was een nacht waarop we samen van hun appartement naar dat van Patti wandelden. We spraken de hele weg over ziekte en de dood. Maar dan ga ik een koffie drinken en zijn we plots weer passanten. Eigenlijk is die afstand echt wonderlijk. We leven in een kleine wereld van grote steden en soms moet je er een zaak van maken om de intimiteit van je eigen werk te beschermen.

Wat leest u ter inspiratie?
Ik lees veel non-fictie. Onlangs las ik een boek over de – zo niet letterlijke, dan wel historische – relatie tussen Picasso en Einstein. Ik lees James Gleick vaak. Hij schreef een prachtig boek over tijd en over chaos. Ik vind hem erg slim en ik lees graag hoe zijn brein werkt. Don DeLillo lees ik ook ter inspiratie. Ik hou van hem. Ik hou ook van Philip Roth, ook al was hij een gecompliceerde man. Ik bewonder Margaret Atwood om haar talent om fictie met non-fictie te verweven. Net als Angela Carter trouwens, die een leraar van me was.

Jane Austen of Charlotte Brönte? Waarschijnlijk zou ik Brönte zeggen. Maar dit vind ik de moeilijkste vraag.
Marcel Proust of James Joyce? Joyce.
Kathy Acker of Chris Kraus? Kathy Acker.
Larry David of Jerry Seinfeld? Larry David.
Zadie Smith of Joan Didion? Joan Didion. Ik hou zoveel van Zadie, maar zij krijgt haar kans nog wel.
Wes Anderson of Michael Haneke? Michael Haneke.
Margaret Atwood of Jeanette Winterson? Dat is geen eerlijke vraag. (lacht)
Haruki Murakami of Philip Roth? Philip Roth.