21 vragen aan: Anna Enquist

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen? en 20 andere vragen aan Anna Enquist, wier nieuwe roman Want de avond onlangs is verschenen.

Welk boek ligt naast uw bed?
Ik herlees boeken om te kijken wat ik er nu nog van vind. Philip Roth, momenteel. Ik kwam ooit bij hem terecht via Portnoy’s Complaint; sindsdien ben ik hem blijven volgen. De eenvoud van de herinneringen aan zijn vader in Patrimony is buitengewoon indrukwekkend. Erg jammer dat hij nooit de Nobelprijs heeft gekregen.
Margaret Drabble zou ook de Nobelprijs mogen winnen van mij. Haar latere boeken blijven overeind maar in haar boeken uit de jaren zeventig en tachtig merk je dat de tijd is voortgeschreden. Ze zijn te wollig of staan te lang stil bij beschrijvingen of geestigheden die nu niet meer leuk zijn.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Twintig – nee, veertig – jaar geleden had ik Ada gezegd, van Nabokov. Die eruditie! Maar eigenlijk is Speak, Memory veel mooier. Later had ik Der Untergeher van Thomas Bernhard waarschijnlijk wel willen schrijven. Die hele lange zinnen, de cadans daarin, de regelmatige herhaling van kleine frases: eigenlijk hanteert hij muzikale principes. Maar nu? Die trilogie van Jane Gardam is het boek – of toch, de drie boeken – van het afgelopen jaar waar ik de meeste bewondering voor heb. Als ik zoiets zou kunnen schrijven… Ach, wat vermetel, eigenlijk, om te durven zeggen: ‘Dat zou ik wel willen schrijven, ja’.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Ik ben soms bang dat er over honderd jaar helemaal niet meer gelezen wordt zoals we dat nu doen. Alles versnippert tot een oppervlaktecultuur: we consumeren kleine, losse stukjes die ‘leuk’ moeten zijn en gaan dan weer verder.
Het gaat me zeker ook over de vorm. Een boek heeft een geur, een gewicht; het papier heeft een tactiele kwaliteit. Ik begrijp wel dat het handig kan zijn, hoor, met die apparaten: ik heb een loodzware stapel boeken liggen voor de vakantie. Maar de gedachte dat je niet weet op welke pagina iets staat, dat je niet – letterlijk – in de hand hebt hoe lang je nog te gaan hebt: weerzinwekkend!

Welke schrijver of welk boek is naar uw idee het meest onderschat? En waarom?
Het oeuvre van Anne Tyler. Er wordt wel aandacht aan besteed, maar er wordt in zekere zin ook aan voorbijgegaan: alsof het ‘maar’ gekeuvel van een huisvrouw in Baltimore is. Ik ken weinig schrijvers die haar boeken goed lezen en achten. Herman Koch doet dat wel. Hij is ook fan van Tyler en dat siert hem. Het gaat altijd over niks, over een middelbare leeftijd huisvrouw die niet eens écht ontevreden is, maar die niet tot haar recht komt. Knullige, huishoudelijke dingetjes, zo goed beschreven dat het je bijblijft.

© Bianca Sistermans

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Dat is een gevaarlijke vraag. Een aantal jaar geleden was die Knausgård zo populair. Zes dikke delen zelfingenomen gezwatel zonder structuur. Ik vond het vanaf het eerste boek al helemaal niets, maar ik bleef lezen omdat ik er niet zo streng over wilde oordelen zonder het volledig gelezen te hebben. Een enkele keer zit er een mooi stukje tussen, over de depressie van zijn vrouw: een treffende anderhalve bladzijde. Ik bleef alleen maar hopen dat ik een structuur zou vinden, maar het kwam niet. Erg overschat!

Wat is qua lezen uw guilty pleasure?
Detectives. Ondertussen valt het mee, maar ik had een periode waarin er aan elke roman die ik las drie detectives moesten voorafgaan. Denise Mina, onder andere. De Zweedse Håkan Nesser ook, maar die moet je eigenlijk in het Zweeds lezen; de Nederlandse vertalingen zijn vaak veel te slordig. Hij schrijft zo goed dat je in een grijs gebied terechtkomt: hij werkt dan wel vooral op spanning, zoals het een detective betaamt, maar zijn taal en structuur zijn haast literair. Een echte guilty pleasure daarentegen is Lee Child.
En wat is uw guilty pleasure daarbuiten?
Er was een tijd waarin ik series keek. Zo heb ik bijvoorbeeld alle afleveringen van ER gezien. Prachtig. Ik keek ook alles van The Singing Detective en Twin Peaks – op een VHS-tape was dat toen nog. Nu kijk ik eigenlijk nooit meer televisie.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Ik zou het tafeltje liever verplaatsen naar Engeland, ergens langs de Thames. Dan nodig ik Betty uit, de vrouw uit de trilogie van Jane Gardam: dat lijkt me een aardige vrouw. Met haar zou ik wel een avondje willen praten.
Waar zouden jullie het over hebben?
Ik zou haar gewoon vragen stellen over wat ze heeft meegemaakt: waarom ze nooit bij haar man is weggegaan. Over haar jeugd; of dat ontheemd-zijn als kind invloed had op haar leven achteraf. Onzin, natuurlijk, maar dat zou ik liever doen dan met een of andere man uit een wereldberoemd boek praten over belangrijke zaken.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
In al die teksten van Herodotus – en dat geldt net zo goed voor de Romeinse cultuur, als je Tacitus leest bijvoorbeeld – gaat het altijd over de heldendaden van mannen. Een enkele keer wordt iemands vrouw vermeld maar nergens lees je bijvoorbeeld hoe meisjes werden opgevoed. Heel mooi zou het zijn om te lezen over het dagelijkse leven van vrouwen in het Oude Griekenland. Als ik een schrijfster was in die periode, dan zou ik dat opschrijven.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Dat is een moeilijke vraag. Ik vind het ontrouw om je vroegere werk in de steek te laten. Er zijn dichters die bij elke nieuwe druk hun oude gedichten reviseren, maar dat is weerzinwekkend. Wat ik toen schreef, meende ik op dat moment: dat kan ik nu naïef vinden of zelfs niet goed, maar zo wilde ik het ooit wel opschrijven. Het is belangrijk, geloof ik, om mededogen te hebben met de jonge schrijfster die je was.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik heb de neiging om te zeggen dat ik helemaal niet zo veel kan. Zo kan ik bijvoorbeeld helemaal geen sport. En eigenlijk kan ik niet koken. Welja, ik kan wel koken, maar geen geweldige gerechten. Wat ik wel goed kan, al zeg ik het zelf, is jam maken. Vroeger in Zweden ging ik bosbessen plukken of lekkere kleine frambozen en er dan jam van maken op de ouderwetse manier – niet met geleisuiker of zo: gewoon echt inkoken en kijken wanneer het zo ver is. In mijn eerste boek staat er een scène van drie of vier bladzijden over het maken van bramenjam. Ik doe het nog altijd elk jaar met de kleinkinderen. Vijgen, pruimen: alles wat er bij ons in de tuin groeit, belandt in de jam.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Als ik een idee bedenk voor een slotscène ren ik daar te hard naartoe. In mijn poëzie heb ik een gelijkaardige neiging: ik vind een gedicht te snel ‘af’. Ik maak het meteen officieel: ik typ het uit, sla het op en plots is het een ‘documentje’. Niet te vlug tevreden zijn: dat is een goed advies.
Een ander goed advies kreeg ik ooit van Jan Eijkelboom. Hij zei: ‘Wantrouw de eerste impuls.’ Ik ben vaak geneigd om alle invallen, hoe triviaal ook, serieus te nemen – een psychoanalytische neiging. Die eerste impuls zie ik als een soort handvat om een gedicht binnen te treden. Hij redeneerde dat wat erna komt waardevoller is. Hij had een punt: ik denk er nog vaak aan als ik schrijf.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Achttien? Dan denk ik meteen aan allerlei boeken die zich op de grens van de volwassenheid afspelen – aan een figuur als Stephen Dedalus, bijvoorbeeld. The Catcher in the Rye, ook, en Ivoren wachters van Vestdijk. Lolita, met die enorme kracht van dat hopeloze verlangen. Maar moet je ze op die leeftijd al zo’n cynisch boek voeren dat hun vertelt dat het allemaal toch niets wordt met de wereld?
Wat misschien beter is, zijn de korte verhalen van Tsjechov en Garsjin. Of Toergenjev. Beelden van zo’n Russisch boerenleven. Dat staat wat verder van de westerse cultuur af, en toch neem je er kennis van hoe moeilijk het leven is. Ja, geef ze dat maar!

Jane Austen of Charlotte Brönte? Toch Brönte.
Freud of Lacan? Freud.
Zadie Smith of Joan Didion? Zadie Smith.
Haruki Murakami of Karl Ove Knausgård? Geen van beiden.
Albert Camus of Michel Houellebecq? Camus.
Maartje Wortel of Esther Gerritsen? Maartje.
Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans? Hermans.
Arnon Grunberg of A.F.Th. van der Heijden? Adri.
Elena Ferrante of Hilary Mantel? Hilary! Die kan trouwens ook de Nobelprijs krijgen van mij.