21 vragen aan… Anneke Brassinga

Volgens dichteres, prozaïst en P.C. Hooftprijswinnaar Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 1948) zou iedereen voor z’n achttiende Die Verwandlung van Franz Kafka gelezen moeten hebben, ‘om te weten hoe precair de menselijke verhoudingen zijn’. In januari verschijnt van haar de dichtbundel Verborgen tuinen.

Welk boek ligt naast uw bed?
Naast mijn bed ligt Rabelais, Pantagruel, Het Derde en Vierde Boek, in de schitterende, briljante, olijke vertaling van H. Vermeer-Pardoen, en eronder ligt Gorter met zijn ‘grote’ Pan, tweede ‘zeer veel vermeerderde’ druk, aangezwollen van 141 bladzijden in 1912 naar 493 in 1916. Het zijn allebei megalomane teksten, Pan vol declamatorisch vuur, (Gorters huis in Bergen heet dan ook ‘De verbrande pan’ – een duinpan, maar toch …). Het epos van de strijdende arbeidersklasse, alles is goud wat er blinkt. Volslagen overgave: ‘O gouden Geest der Vrijheid, o Licht der Wereld, Oprijzend licht der Arbeiders, /(…) o gouden heilge strijd.’

Rabelais is even uitzinnig, maar anders, in anti-autoritaire kwajongensschunnigheid. Allebei grossieren ze in herhaling, grootspraak, allebei gloeien ze van zonderlinge bezieling. Op het surreële kun je goed slapen. Ernaast een mooi boekje van Wim Noordhoek, De gabardine regenjas, met herinneringen aan zijn moeder en andere vrouwen. Dan een wankele stapel: Friederike Mayröcker, Alice Oswald, Anne Carson, Primo Levi, Boëthius, Piet Gerbrandy, Peter Vos (Een studie in grijs, vogeltekeningen met tekst erbij).

© Serge Ligtenberg

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Aan mijn proza zou ik niets veranderen want daarin spreek ik, in gedachten, met een lezer, en aan een gesprek kun je niets meer veranderen, dan kun je beter nóg een gesprek beginnen.

Mijn gedichten verander ik voortdurend en gewetenloos, want de eerdere versies blijven hoe dan ook bestaan; en ik ben ze, als kamerplanten, of huisdieren, altijd aan het begieten, bijknippen, uitlaten, verpotten, verspenen, om ze in leven te houden. Een gedicht is nooit af. Zelf ben ik ook pas af als ik dood ben.
Veel dichters hebben die neiging. Ter Balkt, Nijhoff, Achterberg. Allemaal variantendichters. En – ik ben vertaler, dus reizen, oftewel verplaatsing in de geest, naar andere tijdperken, continenten, denkwerelden, hoort bij mijn beroep. Zo kan ik evengoed terugreizen naar mijn eigen heden van dertig jaar geleden als naar elk ander ‘nu’ dat geschreven staat. Om het scherper te zien en te formuleren.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Waarom zou ik? Ik ben heel blij als ik Strindbergs Kammerspiele mag lezen, of Finnegans Wake, van Joyce, of de Recherche van Proust, maar alles wat geschreven is belichaamt een offer van de schrijver, hij gooit zijn ziel erin weg, strooit zich uit, in precies de woorden die voor hem geldig zijn. Ik kan niet anders dan schrijven wat ik schrijf, en dat gold voor hen ook.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Zijn tijdgenoten leeftijdgenoten? Dan wil ik graag dat Frans Kellendonk over honderd jaar nog wordt gelezen. Een groot, scherp, schrijnend schrijver, die ook nog geestig was, én ook nog, met gevoel, nadenken kon. Als u met tijdgenoten bedoelt mensen die nog leefden toen ik geboren werd, dan Beckett, Milosz, Tranströmer, Hermans. Maar volgens Osip Mandelstam zijn in de literatuur al onze voorgangers, allen die ooit geschreven hebben, onze tijdgenoten wier brief in een aangespoelde fles we aan het strand uit de golven mogen opvissen – in een onophoudelijk heen en weer van spreken en luisteren en antwoorden.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Osip Mandelstam, Johan Andreas Dèr Mouw, Hans Faverey, Jacob Groot, Nachoem Wijnberg, Jan Hanlo, Bai Juyi, Herman Gorter, Stéphane Mallarmé, en nog een stuk of honderd anderen.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Goethe. Als dichter toch een beetje een rijmelaar, en in zijn romans heerst een volslagen grand-guignol melodramatisch-kitscherige gekunsteldheid. Hij heeft een schitterend boek geschreven: Italienische Reise. Het toneel, Faust, I en II, is geweldig leuk, maar verder… Hij was natuurlijk een uomo universale, een mens met alle talenten, maar dan nog ben je als schrijver niet per se de reus waar je voor wordt aangezien.

Maar waarom wordt iets overschat? Als we dat wisten, zouden we misschien de weg kunnen vinden naar een samenleving met minder bluf en machtsmisbruik, als zijnde de gevolgen van overschatting zodra daarbij ook nog de menselijke behoefte aan gehoorzaamheid en ‘meedoen’ wordt geactiveerd. Niemand kan gehoorzamen aan Finnegans Wake, of aan de Recherche, dus zulke scheppingen zijn ook niet te overschatten, ze zijn onschatbaar.

Een boek heeft een werking, zoals dat ene (nu opnieuw in vertaling een bestseller) van de mislukte kunstschilder uit Braunau, maar die werking komt voort uit een grotere mythe dan de tekst alleen. Daar zit de wespensteek, de gifangel.

Stel je voor dat iemand gaat aantonen dat de Ilias en de Odyssee overschat zijn – wat kan ons dat bommen? Ik bedoel: de vraag is niet heel relevant. We geven dan een boek de schuld van het moment waarop we zelf ons geweten in de steek laten.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
In een tijd toen de tijd (als menselijke maat) nog niet bestond en de mens zich aan het uitvinden was, de dingen nog geen naam hadden. Of ietsje later, in Ephese, toen Heraclitus daar wat stond te mompelen. In ieder geval niet in Nederland, en heel lang geleden.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Ja, Kees Fens heeft eens een gedicht van me gefileerd en ingemaakt. Hij schreef toen dat in een gedicht de dingen niet moeten worden gezegd maar dat de dichter ze moet voltrekken, en het klonk zo kwaad en gramstorig dat ik het sindsdien erg ter harte heb genomen.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
Ik lees soms graag kookboeken, met uitvoerige, liefdevolle recepten en preparatieven, zoals het vouwen van servetten, het assortiment pannen, het uitbenen van een konijn, bijvoorbeeld in het Kookboek van A. Simonsz (1920), of Mme E. Saint-Ange, La bonne cuisine (1927).
Buiten het lezen zijn mijn guilty pleasures: roken en drinken.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Het meest ben ik verbonden met mijn zojuist herdrukte boek Hapschaar, waarin ik op encyclopedisch-subjectieve, cerebraal-intuïtieve wijze heb getracht de raadsels op te lossen of uiteen te rafelen waar het leven en de wereld ons voor stellen – wat me, al zeg ik het zelf, aardig goed gelukt is. Het is nu voor eenieder weer nieuw aan te schaffen, in de boekhandel.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Als schilder zou ik horen bij het abstract expressionisme. Maar verborgen? Twee van mijn boeken hebben een omslag van eigen hand.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?

Tristram Shandy, in de broek van zwart pluche die zijn vader draagt, in het boek.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
We zouden het erover hebben wat er precies gebeurde toen dat schuifraam op zijn edele delen neersuisde, en hoe blijvend de schade is. Voor de rest van de avond zou ik luisteren naar Tristrams afdwalingen en uitweidingen, met evenveel genot als waarmee ik af en toe zijn boek herlees, in de grandioze vertaling van Jan en Gertrude Starink. Zulke werken, waar zo veel geest in voortleeft, zo veel kritische autonomie ook, mogen niet vergeten raken, niet verloren gaan. De schrijver heet Laurence Sterne. Hij leefde in de achttiende eeuw. Kijk maar op Google.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Kafka – Die Verwandlung. Om te weten hoe precair de menselijke verhoudingen zijn.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Het interessantst vond ik een gedichtje (Hout 3) van Ter Balkt: ‘Er is woud in hout en zachtzinnig geruis/ Gekraak in eeuwenoude eiken balken,/ het is opgesloten wind die zich omdraait en weer slaapt.’ Zo eenvoudig kun je verwoorden wat ertoe doet en wat niet, in de omgang tussen mens en natuur.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen? / welke filmklassieker nooit gezien?
Thomas Mann – Joseph und seine Brüder
Karl Kraus – Die letzten Tage der Menschheit
Murasaki Shikibu – The Tale of Genji in de vertaling van E. Seidensticker

Camus of Houellebecq? Camus
Tsjechov of Alice Munro? Tsjechov
Zadie Smith of Joan Didion? Zadie Smith
Jane Austen of Virginia Woolf? Virginia Woolf
Hockney of Warhol? Hockney
Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans? Willem Frederik Hermans
Margaret Atwood of Jeanette Winterson? Jeanette Winterson