‘Mocht een magazine mij vragen naar mijn lievelingsfoto, dan zou ik deze van William Eggleston zeker niet nemen’, staat in uw boek. Wat is uw lievelingsfoto?

Ongetwijfeld een foto van Garry Winogrand. Voor mij is hij een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw. Ik voel zijn enorme eenzaamheid, maar toch fotografeert hij vaak te midden van mensen. Hij was verslaafd aan het afdrukken, zoals kettingrokers de ene sigaret met de andere aansteken. Hij was op het eind van zijn leven zelfs niet meer geïnteresseerd in het ontwikkelen van zijn foto’s. Het was maniakaal. Je voelt de spanning en energie, maar je kunt de foto’s eigenlijk niet begrijpen. Iemand zei: hij wilde het leven kunnen stilzetten en vatten. Maar hij liep er voortdurend achteraan. Dat is een mooi beeld van hoe ik zelf naar de wereld kijk.

Waar komt uw liefde voor de fotografie eigenlijk vandaan?
Foto’s werken als een ezelbruggetje voor mij. Ze herinneren mij eraan hoe fascinerend mensen zijn, en ook dat we elkaar niet echt kunnen kennen. Foto’s zijn afdrukken van het raadsel dat de mens is. Je raakt nooit tot in de kern. We doen wel steeds pogingen, dat is net mooi.

Dat is ook de kern van uw boek: wij zijn nooit alleen, maar ook nooit bij elkaar. De ander blijft ongrijpbaar?
Mijn onderwerp is afstand. Vanuit mijzelf en ten opzichte van iets of iemand anders. En daar schuilt altijd een soort ongemak in, een onvermogen om met de ander om te gaan. Dat merk je ook aan de kunstenaars die ik in mijn boek naar voor schuif, zoals Winogrand maar ook Jean-Baptiste Corot of Jean Brusselmans. In hun werk zit iets ongrijpbaars en dat trekt mij aan. Van de verhouding tot dat ongrijpbare maak ik verhalen.

© Koos Breukel

Wat is de mooiste passage uit een boek die u ooit of recent las?
‘Het bewustzijn van de Ander is mysterieus als een woud. Je kunt het begrijpen vanop een afstand, maar van dichtbij versplintert het in verblindend licht en schaduw.’ Ik kwam dit tegen in een interview met James Salter.

Naar welk schilderij zou u kunnen blijven kijken?
Zo zijn er veel. De winterlandschappen van Jean Brusselmans en de werken van Lovis Corinth. Of Vuillard, hij schildert vaak huistaferelen. Mensen zitten gewoon aan tafel of ze lezen de krant. Hun kostuum heeft vaak dezelfde kleuren als het behangpapier. Ze gaan zo op in de achtergrond. Eigenlijk hou ik vooral van figuratieve schilderijen: ik kijk graag naar mensen. Misschien is het ook wel omdat ik de mensen dan kan ‘bespieden’. Het gevoel een voyeur te zijn. Zoals bij foto’s? Ja.

Welk boek ligt naast uw bed?
Op weg naar de Hartz van Wessel te Gussinklo. Net als Winogrand heeft zijn werk iets monomaans. Het hoofdpersonage is te Gussinklo’s alter ego Ewout Meyster. Je zit honderden pagina’s lang in die jongen zijn hoofd. Bij alles wat hij denkt, denk je zelf: denk dat toch niet! Zeg dat toch niet! Je ziet een extreem onzeker iemand die zelfzeker in de wereld probeert te staan, en wat voor drama’s dat oplevert. Fantastische literatuur.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Dat verlangen heb ik niet. Ik wil vooral de boeken schrijven die ik nog niet geschreven heb.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Ik ben daar nogal pessimistisch over. Ga eens honderd jaar terug. Wie van de schrijvers van toen blijft er nu over? Elsschot misschien, een heel transparante schrijver. Een hedendaagse Elsschot zie ik niet rondom mij. Ik denk dat transparantie alleen maar belangrijker gaat worden, misschien wel ten koste van het literaire en het woeste. Claus is bijvoorbeeld iemand waar ik erg van hou. Hij heeft een aparte stijl: heel rijk en beeldrijk, en met binnensmondse humor. Het verdriet van België is een meesterwerk, maar dat bestaat eigenlijk al niet meer. Nieuwe generaties kunnen zijn taal vaak al niet meer lezen.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
De dood van Emma Bovary.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Moeilijk. Ooit was poëzie heel belangrijk voor mij, maar de liefde is uit. Ik heb er geen zin meer in en begrijp het ook steeds minder. Die paar regels op een wit blad die ik moet ontcijferen, ik heb er de energie niet meer voor. Er is iets tussen mij en het gedicht geschoven. Wel las ik onlangs nog eens het fantastische gedicht: Wij komen ter wereld van Jan Hanlo. Hij beschrijft het leven in omgekeerde volgorde. ‘Wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven’, is de aanhef.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Beckett. Zijn werk is met de jaren zo humorloos, zelfs pseudodiepzinnig geworden. Zware woorden, ik weet het. Nochtans vind ik zijn vroege werken fantastisch, het boek Watt bijvoorbeeld. Ik zou ook Michel Houellebecq kunnen zeggen. Ik vind dat hij zijn boeken niet goed afwerkt. Soumission heeft een fantastische opzet: moeten kiezen tussen een moslimpartij of een extremistische partij. Maar na de dag van de verkiezingen kabbelt het boek fantasieloos verder.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’?
Wanneer ik niet kan slapen lees ik strips van Suske en Wiske en De Rode Ridder. Maar zo ‘guilty’ vind ik dit niet.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Met Wij zijn niet alleen, mijn laatste boek. Het benadert het meest wat ik eigenlijk wil doen.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik zou het niet weten. Ik heb geen verborgen talenten, wel verborgen gebreken.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een wit laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen en waar zouden jullie het over hebben?
De obers zou ik wegsturen. Dan zou ik graag met Clawdia Chauchat uit De toverberg van Thomas Mann tafelen. Een mysterieuze verschijning die enkele honderden pagina’s lang iedere ochtend te laat en met slaande deuren de ontbijtzaal binnentreedt. Aanvankelijk irriteert dit het hoofdpersonage, Hans Castorp. Maar gaandeweg wordt hij verliefd op haar. Je voelt de gevoelens zwellen. Volgens mij lijkt ze op een meisje waar ik verliefd op was toen ik vijftien was. We zouden het hebben over alles in ons leven wat niet mocht zijn.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
In Macht en onmacht onderzoekt Tinneke Beeckman: waar moet ik eigenlijk staan in deze verwarrende tijden? Uiteindelijk komt ze bij Spinoza terecht. Ze noemt een aantal door hem omschreven droeve passies op, waarmee je eigenlijk niets kunt doen. Verontwaardiging bijvoorbeeld, we worden daar zo in gevoed door de media. Elke dag wel een steekvlam. Het is een neurose die wordt aangewakkerd als een bosbrand. We kunnen dat niet aan. Uiteindelijk blijven we gewoon op onze stoel zitten. We moeten minder verontwaardigd zijn en oprechte manieren zoeken om ons te engageren.

Fernando Pessoa of Emily Dickinson?
Wow, dat is moeilijk. Dan toch Emily Dickinson. Boek der rusteloosheid van Pessoa vind ik een heel belangrijk boek, maar ik zou het niet meer herlezen. Die zwaarmoedigheid, daar wil ik niet meer doorheen.

Garry Winogrand of Helen Levitt?
Winogrand. Zijn foto’s zijn gemaakt vanuit de neurose, Levitt had een aangenamer leven. Haar foto’s kennen geen agressie; ze kon de mensen heel goed benaderen om te fotograferen. Ik voel in haar foto’s meer vrede en mededogen. Zij wandelde rond in New York. Winogrand joeg zichzelf door New York.

The Doors, Genesis of Patti Smith?
Ik ga tegendraads doen: Genesis.

Tsjechov of Alice Munro?
Tsjechov

Tolstoj of Dostojevski?
Dostojevski. Ik vind het fantastisch hoe hij je met zijn lange scènes kan meetrekken in zijn moeras. Je komt in een grauwe roes terecht. Bijvoorbeeld bij de begrafenisscène in Misdaad en straf. Iedereen in de buurt is daar om te komen schransen. Dat dúúrt, wel tientallen pagina’s. Daarna ga je weer naar een volgend moment. Meesterlijk.