‘Ik kwam mijn personage tegen in stegen met gasverlichting en dampende paarden’

21 vragen aan… Christiaan Weijts

Christiaan Weijts (1976) is romancier, columnist en, voor De Groene, recensent van Nederlandse literatuur. Onlangs verscheen zijn nieuwe boek Furore, een wijd uitwaaierende ideeënroman over Picasso in de duinen van Schoorl en de kunsthistoricus die jaren in de toekomst onderzoek doet naar Picasso’s Noord-Hollandse avontuur.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste roman?
In het voorjaar van 2018 was er in Montmartre een tentoonstelling over Kees van Dongen. Die kwam precies op het moment dat ik al vrij ver in Furore was, een roman over journalist Tom Schilperoort die rond 1900 in dit milieu was beland, bevriend was met Van Dongen, Picasso naar Nederland haalde, enzovoorts. Wat in mijn verbeelding al leefde zag ik hier op schilderijen en foto’s tastbaar voor me. ’s Nachts droomde ik zelfs over Tom. Ik kwam hem tegen in stegen met gasverlichting en dampende paarden.

Wat was het zwaarste, of de grootste puzzel?
Tegenover die intieme, schilderachtige wereld van Montmartre in 1904 staat een tweede, grillige en uitbundige verhaallijn, die in 2054 begint. Daar heb je een vergelijkbaar probleem als met een historische roman: je moet een integrale wereld oproepen. Het verzinnen van een toekomstig Nederland was een plezierig spel, maar de weergave ervan zorgt voor hoofdbrekens: je moet al dat nieuwe niet al te expliciet presenteren, het moet als het ware oplossen, door de handelingen heen geroerd zijn. Dat roeren, dat was het moeilijkst.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Lezers wijzen me soms op fouten: ik liet in mijn debuut een rivier de verkeerde kant uit stromen. Dat laat ik dan toch staan. Ook wat niet klopt, staat er met een reden, denk ik dan. Nee, aan veranderen heb ik geen behoefte, wel om het een volgende keer totaal anders aan te pakken. Ik probeer elk boek iets nieuws, een andere vorm, een nieuwe methode. Voor mij zou het grootste waagstuk wel eens kunnen zijn: een boek maken met één verhaal, één stem, één indringende vertelling.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
In de ban van mijn vader van Sandro Veronesi. Dat boek is één grootse monoloog, virtuoos en toch met beheersing. Hij weet handelingen, plot en essayachtige reflectie schitterend en tegelijkertijd heel vanzelfsprekend te laten samensmelten.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Uit eigen land helemaal niemand. Kijk maar wat er van de eeuwige Grote Drie na nog maar tien à twintig jaar nog over is. Wat bestsellers die het goed doen op de scholierenlijst.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Het einde van Transparent Things (1971) van Vladimir Nabokov. Daar gebeurt het zonder pathos. Bij het sterven is een ‘mysterieuze mentale manoeuvre’ nodig om van de ene staat in de andere te raken. Het is een gedachte-experiment dat tegelijk ernstig en lichtvoetig is. ‘Easy, you know, does it son.’

Wat is de beste seksscène?
Er is een tijd geweest dat ik met potlood de paginanummers van seksscènes in boeken krabbelde. Onbegrijpelijk, vind ik nu. Echte neukscènes overtuigen doorgaans niet. Tegenwoordig heb ik vooral oog voor de erotische spanning die eraan voorafgaat. Als ik moet kiezen: in Brandende liefde van Jan Wolkers zit een bloedmooi scènetje waarin Anna, een jonge vrouw die inwoont bij de lerares Frans van de verteller, op naaldhakken de trap bestijgt, nadat ze hem ‘guitig en geheimzinnig’ heeft aangekeken. Tussen de spijlen door grijpt hij dan haar kuit, waarna zij uit die schoen stapt, waarmee hij in zijn handen blijft staan. ‘Over haar schouder keek ze me spottend aan en strompelde omhoog.’ Dat is seks, of beter nog, de belofte daarvan.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Jan Jacob Slauerhoff en Herman De Coninck. En alleen al vanwege de bundel Afscheid voeg ik daar aan toe: Cees Nooteboom.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Er trekt nu een hele stoet aan ijdele, zelfingenomen figuren langs in mijn hoofd. Laat ik het zo zeggen: ik denk weleens dat Nederlandse schrijvers uiteen vallen in twee categorieën. Zij die de literatuur als een ego-show beschouwen (het genre Özcan Akyol) en de meer zachtaardige figuren, die plezierig in de omgang zijn en die de literatuur graag als een soort familie zien (genre Kees ’t Hart). Het eerste type is het overschatte type, maar wel het meest succesvol. Ik weet niet welke conclusies je daaraan moet verbinden. Misschien: vooral niet bezig zijn met vergelijken.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Een kleine stad in een grootse tijd. Opwinding en afstand tegelijk. Nîmes in de jaren zestig. Oostende tijdens de belle époque. Of: Den Haag in 2020, op loopafstand van zee en duinen.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Over Euforie merkte Arjen Fortuin in NRC op dat ik de boel te veel onder controle hield, dat het interessant zou zijn als ik die beheersing eens liet vieren, kijken in welke duistere krochten mijn personages zouden eindigen als ik het verstand wat temperde – ik vertaal het even vrij. Daar kon ik iets in herkennen. Het is het soort kritiek dat raakt aan wat ik zelf al weet en waar ik waakzaam op moet blijven, de balans tussen warm instinct en koele rede.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
Tellen columns van Martin Bril als makkelijke lectuur? Niet echt, hè? Maar anders zou ik het niet weten. Ik heb de pest aan detectives en thrillers. Daarbuiten? Oude filmpjes van Jiskefet op YouTube kijken? Sentimentele liedjes van Stef Bos? Stiekem een domme schietgame spelen op de Nintendo van mijn elfjarige zoon?

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Zowel in Art. 285b als in Euforie heb ik behoorlijk wat autobiografische gebeurtenissen verwerkt, ook al heb ik ze uitgedeeld aan fictieve personages. Waarschijnlijk is het daardoor dat die twee voor mij het meest ‘gloeien’ als ik ze in de boekenkast zie staan. Ik vind uit het oeuvre van Philip Roth ook de Nathan Zuckerman-boeken het beste. Werkelijkheid en fictie raken hierin verstrengeld.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik heb er nooit de befaamde tienduizend uur in gestopt, maar anders zou ik misschien best een redelijk pianist kunnen zijn geworden, of een architect. Die carrières geef ik dan maar aan mijn personages. Koken kan ik ook niet onaardig. Tijd voor een culinaire roman. Met recepten. Maar ik heb totaal geen talent om zulke liefhebberijen uit te bouwen tot iets wat op een ‘onderneming’ lijkt. Zelfs in de schrijverij lukt dat maar deels. Ik zou meer aan pr moeten doen, imago, de zakelijke en commerciële kant.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een wit laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat.
a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?

De verteller uit de boeken van James Salter.
b) Waar zouden jullie het over hebben?
Over totaal niets. Flauwekul, anekdotes, geouwehoer, geklaag, geroddel. Iemands ideeën en gedachten kan ik wel uit boeken halen, maar een echte uitwisseling, op het niveau van de ziel om het even gewichtig te zeggen, gebeurt alleen als je smakelijk met elkaar kunt lachen.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Laatst zat ik twee, drie dagen lang nogal in de put. Een NRC-recensent had mijn nieuwe roman snoeihard gekraakt – het stuk had alle kenmerken van een persoonlijke aanval, ik weet nog altijd niet wat ik hem misdaan heb. In die dagen herlas ik, meerdere keren, het essay ‘Over zelfrespect’ door Joan Didion. Daarvan leerde ik wat de juiste houding is: staan voor je eigen waarden, in plaats van jezelf afhankelijk te maken van andermans oordelen. Dat is ontzettend moeilijk, maar het is essentieel. Het is makkelijk te verwarren met arrogantie, maar is dat niet. Het is de houding van: ik weet wat ik nastreef, ik zie dat het gelukt is, ik zie dat ik in mijn boek precies bereikte wat ik nastreef, dat het toch echt mijn beste boek tot nu toe is. Goede of slechte kritieken zouden op dat zelfrespect geen vat moeten hebben. Maar dat vergt oefening.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen? Of welke filmklassieker heeft u nooit gezien?
Zo veel, vooral die films. Stomverbaasd zijn mensen dan altijd: heb je La dolce vita niet gezien? Anna Karenina niet gelezen? Nee, en ik weet niet of ik het ooit wel ga doen.

Mulisch of Reve of Hermans?
Twintig jaar terug zou ik Reve hebben gezegd, tien jaar terug Mulisch, maar ik begin steeds meer te voelen voor Hermans, die zowel in ideeën als in literaire techniek domweg hun meerdere is.

Tommy, A.F.Th. of Ilja?
Dat is gemakkelijk, want op geen enkele manier een dilemma. Zonder twijfel: A.F.Th.

Camus of Houellebecq?
Houellebecq, beslist. Al lees ik hem liever dan dat ik met hem dineer langs de Seine.

Sylvia Plath of Ted Hughes?
Sylvia Plath. Ook zo’n klassieker die ik nog moet lezen.