21 vragen aan… Daan Roovers

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben? en twintig andere vragen aan Daan Roovers. In haar boek Wij zijn de politiek pleit zij voor een nieuw politiek bewustzijn.

Welk boek ligt naast uw bed?
Brieven aan Koos van Tim Fransen. Heel grappig en tegelijk filosofisch scherp.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Dat het meer was. Ik merk dat spreken mijn meest natuurlijke vorm van uitdrukken is. Lesgeven, discussiëren in zaaltjes. Als ik al die tijd aan schrijven had besteed, o jongens, dan had ik een boekenkast vol. En wat betreft het schrijven zelf had ik misschien grotere, langere essays willen schrijven. In mijn journalistieke carrière en bij Filosofie Magazine heb ik vooral heel korte stukken geschreven. Columns over de kabinetten van Balkenende. Wie zit daar nú nog op te wachten? Misschien had ik meer de lange baan moeten kiezen, dan verdampt je werk niet zo snel. Het is een van de redenen dat ik nu aan een proefschrift werk.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Nu we het toch over mijn proefschrift hebben, tijdens het schrijven van het eerste hoofdstuk kwam ik No Issue, No Public tegen van Noortje Marres. Dat behandelt het debat dat John Dewey en Walter Lippmann honderd jaar geleden voerden over de aard van de publieke opinie. ‘Verrek,’ dacht ik, ‘mijn eerste hoofdstuk staat al in haar proefschrift.’ En dat ook nog eens vrij goed geschreven. Het is nooit leuk om iets te lezen wat je zelf had willen schrijven. Dat ontmoedigt je.

Toen ik lang geleden De wetten las, van Connie Palmen, dacht ik ook ‘o, had ik dat maar geschreven!’ Ik studeerde toen net filosofie en herkende er veel in van mijn eigen zoektocht. Ik denk dat dat de kracht is van goede literatuur. Boeken die door duizenden mensen worden gelezen en waarvan jij toch het idee hebt dat het speciaal voor jou geschreven is.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Maxim Februari? Maar dan de non-fictie vooral. Rudi Visker, kent ook geen hond, maar vind ik de belangrijkste auteur uit deze kast. En wie ik trouwens ook heel goed vind, is Lieke Marsman. Kijk, zo loop ik dan de hele tijd naar de boekenkast. Vraag het me zo nog eens, ik moet er nog even over nadenken – welk criterium zal ik nu aan deze vraag geven?

Wie zijn uw favoriete dichters?
Wim Brands en Hugo Claus. Twee totáál verschillende dichters. Brands is erg precies, karig, maar heel betekenisvol. En Claus heeft natuurlijk, hoe zal ik het zeggen, een wat groter ego.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Dat is absoluut Weimar tussen 1800 en 1810. De Franse Revolutie is geëindigd, de Duitse Romantiek breekt net aan. In Weimar organiseerden mensen als Goethe, Christoph Martin Wieland en Friedrich Schelling literaire avonden waarin ze elkaar stukken voorlazen die ze hadden geschreven. Ze discussieerden over dichtkunst, er werd gemusiceerd en ze bespraken de stand van zaken in de wetenschap. Daar had ik wel bij willen zijn.

Ik denk eraan vanwege Johanna Schopenhauer, een van mijn grote literaire helden. Haar man was vroeg overleden en zij woonde daar met twee kinderen, waaronder Arthur Schopenhauer. Het was een ontzettende mannencultuur, maar Johanna schoof tijdens deze avonden aan tafel met een bepaalde vanzelfsprekendheid. Tuurlijk, ze was well-to-do, maar ze deed op geen enkele manier concessies aan het feit dat zij als vrouw daar niet tussen zou passen. Ik zou wel net als zij in die tijd een vrouw willen zijn, op een plek waar je je er enorm moet invechten en het tóch kan lukken.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
In Wij zijn de politiek zeg ik iets over mijn overleden moeder. Ik vertel hoe ik in de filosofie verzeild ben geraakt, hoe ik ben opgegroeid. En over mijn moeder dat ze na de lagere school direct het aardbeienveld in moest. Nu is dat niet onwaar, maar mijn vader schreef me in een briefje dat ze daardoor achterblijft als iemand die enkel modder aan de schoenen heeft gehad, terwijl ze zoveel meer heeft gedaan en betekent. Het is niet echt een recensie, wel kritisch. En het klopt dat ik een scherper oog moet hebben voor de rol waarin andere mensen figureren om mijn punt te maken. Soms zet je te makkelijk iemand neer om tegenaan te tennissen. Dat moet je alleen willen doen als je Arnon Grunberg bent. Die kan met recht zeggen dat de literatuur belangrijker is dan zijn leven. Met mijn beperkte schrijfsels zou ik hetzelfde standpunt aanmatigend vinden.

Met welk boek heeft u de diepste band?
De eerste man van Albert Camus, zijn autobiografie. Ik houd het nooit droog als ik de briefwisseling lees met de leraar die ervoor zorgde dat Camus als arme jongen uit een analfabeet gezin toch verder kon studeren. Deze man weerhield Camus’ moeder en oma ervan hem direct aan het werk te zetten en regelde een studiebeurs. Camus schrijft de brief na uitreiking van zijn Nobelprijs en vertelt dat hij hem nog altijd dankbaar is, dat hij het talent zag in die kleine jongen. Ik vind het zo ontroerend dat er één leraar is die in één kind iets ziet en daardoor zijn leven beslissend verandert. Het is een hoopgevend verhaal, zeker nu, in een tijd waarin het zelfvertrouwen van onderwijzers onder druk staat. Ik geef het boek al een aantal jaren aan de leraren van mijn kinderen.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Walter Berglund uit Freedom van Jonathan Franzen.
b) Waar zouden jullie het over hebben?
Alles in zijn leven gaat mis. Hij verliest zijn baan, zijn vrouw gaat bij hem weg en zijn kinderen trekken zich geen barst van hem aan, maar de vraag is of hij er zoveel aan kan doen. Ik zou hem willen vragen of er een punt in zijn leven was waarover hij het gevoel heeft dat hij het anders had kunnen doen. Had hij dit totale echec kunnen voorkomen?

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Lijmen/Het been van Elsschot. Misschien is op je achttiende wel jong, hoor.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
In What Is Populism? beschrijft Jan-Werner Muller dat populisme inherent is aan de representatieve democratie. Er kan altijd iemand opstaan die zegt voor het échte volk te spreken. Populisme is op zichzelf niet een probleem, maar een logisch nevenverschijnsel van ons systeem. En als dat problematische vormen aanneemt, moeten we dus nadenken over andere vormen van vertegenwoordiging.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen? / welke filmklassieker nooit gezien?
De Toverberg van Thomas Mann.

En heeft u al bedacht wie er over honderd jaar nog gelezen wordt?
Astrid Lindgren. Het zijn boeken die je met terugwerkende kracht doen beseffen waarom je je als kind zo onbegrepen kon voelen. Ik denk dat zulke thema’s generatie op generatie zullen blijven bestaan.

Camus of Houellebecq? Camúúús.

Michel Foucault of Noam Chomsky? Foucault.

Zadie Smith of Joan Didion? Joan Didion.

Freud of Lacan? Lacan.

Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans? Mulisch.

Arnon Grunberg of A.F.Th. van der Heijden? Grunberg.

Warhol of Hockney? Warhol.