21 vragen aan… Frank Keizer

Welk boek geeft u het liefst cadeau? en twintig andere vragen aan dichter Frank Keizer. Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding verscheen deze maand bij Pelckmans uitgevers.

© Koen Broos

Wie zijn uw favoriete dichters?
Dat zijn er zo veel. Bijvoorbeeld Herman Gorter, die over de arbeidersklasse schreef: ‘In nederlaag wil ik uw dichter zijn’. Zijn communistische lyriek vind ik adembenemend mooi. En Chus Pato uit Galicië. Zij schrijft over hoe het fascisme in Spanje na 1975 niet is afgelopen.

Mijn werk is in zekere zin bij Kees Ouwens begonnen. Alfred Schaffer besprak onlangs voor De Groene mijn bundel en haalde een van Ouwens’ regels aan: ‘ik was de verzorgingsstaat van mijn lichaam, de wederopbouw van mijn zelfvoorziening’. Dat vind ik zo’n schitterende regel. Die beschrijft heel goed wat ik wil met mijn werk. Ik zag die vergelijking als een compliment en het was heel scherp gelezen. Die regel van Ouwens is een soort oerzin voor mij.

Welk boek ligt naast uw bed?
Transit van Rachel Cusk. Het gaat over mensen wier relatie tot het leven kapot is en die zich opnieuw moeten hechten aan de wereld. Zij zitten in een soort transitiemoment en dat geldt momenteel ook voor mij. Ik moet opnieuw mijn wereld inrichten en dat maakt het een confronterend boek. Een aantal jaar geleden had ik hier waarschijnlijk nooit naar omgekeken, maar nu raakt het me.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Ik denk niet dat ik iets zou veranderen, want dat zou toch op zelfverminking neerkomen. Ik heb mijn werk geschreven op een bepaald moment in mijn leven en dat is wie ik toen was. Liever schrijf ik een nieuw boek.

Welk werk, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Nee, dat vind ik vreemd. Elke roman moet de roman opnieuw definiëren. Ik denk dat hetzelfde geldt voor poëzie, die moet ook de Nederlandse taal openwrikken. Daarom vind ik het lastig om te zeggen dat ik ook zo zou willen schrijven als iemand anders. Ik kan alleen maar mijn eigen stem zijn.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Het is verleidelijk om ‘niemand’ te zeggen. Misschien is Kathy Acker iemand van wie ik hoop dat ze nog gelezen wordt over honderd jaar. Ik hoop dat de wildheid en de energie van haar werk bewaard blijven. Boeken moeten dat hebben om te overleven. Zowel in de vorm als in de radicaliteit waarmee de taal te lijf wordt gegaan. Waarmee het vertellen opnieuw wordt uitgevonden. Ik denk dat dergelijke boeken de meeste kans hebben om dan nog gelezen te worden. Zelf schrijf ik overigens niet op de eeuwigheid gericht. Mijn werk moet nu betekenis hebben.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Ilja Leonard Pfeijffer. Die is te pompeus. Ik vind dat opgepompte engagement vanuit een soort expat-positie niet authentiek. Als ik zie hoe zijn roman dan wordt geprezen denk ik: ‘Daar is blijkbaar behoefte aan.’ Ik vind dat een voorbeeld van goedkope betrokkenheid. Voor mij is het niet relevant.

Als u een dichter zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik zou terug willen gaan naar postrevolutionaire momenten waarop het collectieve als horizon nog niet gesloten is. Nu schrijf ik de hele tijd tegen het sluiten daarvan aan. Ik mis het idee van gedichten die allerlei gegevens en soorten kennis combineren, zoals leerdichten. Graag zou ik met overtuiging zulke gedichten schrijven, maar sinds de moderne tijd zijn die in onbruik geraakt.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Mijn nieuwe bundel werd besproken. Ik zou Bert Schierbeek hebben gelezen. Dat valt wel mee, die heeft mijn werk niet zo beïnvloed. Toch heeft de recensent een punt: we zouden allemaal meer Bert Schierbeek moeten lezen.

Welk boek geeft u het liefst cadeau?
I Love Dick van Chris Kraus geef ik vaak cadeau. Ik vind de titel geweldig en die levert een goede reactie op. Het is een boek over een vrouw die zich aangetrokken voelt tot een theoreticus genaamd ‘Dick’. Ze gaat daar heel ver in en begint een onbeantwoorde correspondentie met hem. Het boek ontspint zich dan in een reeks essays over vrouwelijke kunstenaars maar ook over Amerikaanse politiek, filosofie, vrouwelijk verlangen en hoe mannen vrouwen uit de canon halen. Het levert altijd een gesprek op over wat mensen van literatuur verwachten.

Met welk van uw werken heeft u de diepste band?
Mijn eerste kleine uitgave is me heel dierbaar. Dear world, fuck off, ik ga golfen. Dat is wel de bron van wat er daarna is gekomen. Ik merkte toen voor het eerst dat ik schreef vanuit een soort urgentie. Dat ik kon schrijven in reactie op een politiek moment. Ik kon woorden en taal vinden om mijn hoop, desillusie en al mijn affecten te vangen. Voor het eerst vond ik een manier om me uit te drukken en daar zijn al mijn andere werken uit voortgekomen.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen dichter zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik zou heel graag machinist zijn op heel luisterrijke treinroutes. Dat lijkt me geweldig sereen en het tegendeel van mijn eigen onrust. Alleen heb ik daar misschien wel helemaal geen talent voor.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars.
Obers in jacquet staan paraat.
a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Frédéric Moreau, uit L’Éducation sentimentale van Gustave Flaubert. Die woont volgens mij ook in Parijs.

b) Waar zouden jullie het over hebben?
Het boek gaat over de generatie van 1848 en het falen van de revolutie. Ik zou hem willen uithoren over de keuzes van zijn generatie en vragen waarom hij zo cynisch is geworden. Ik zou met hem in discussie gaan over revolutionaire hoop en trouw. Omdat ik mijzelf in hem herken zou ik hem toch willen overtuigen om mee te gaan naar de barricaden. Het tafeltje bij de Seine moet worden omvergeworpen!

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Voor mij was Mystiek lichaam van Frans Kellendonk heel belangrijk op die leeftijd. Vanwege de inhoud, maar ook als een model voor wat literatuur kan zijn. Het is extreem ongemakkelijk en daar voel ik mij altijd toe aangetrokken. Dat boek is confronterend voor mij en ik merk dat ik er nog steeds niet klaar mee ben. Het schopte tegen alles aan wat ik als literatuur begreep. Het is eigenlijk een boek dat het hele verhaal probeert te vertellen. De hele geschiedenis. Dat vond ik zo verstrekkend en ambitieus, en tegelijkertijd fascinerend want het slaagt daar ook niet in. Toen ik dat boek las wist ik dat ik zelf ook wilde schrijven.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Ik lees graag filosofie om mijn schrijven te voeden. Een boek waar ik heel veel aan heb gehad was The Mushroom at the End of the World van Anna Tsing. Het gaat over een paddenstoel die goed blijkt te aarden in verwoeste, postindustriële landschappen. Tsing gebruikt die paddenstoel en de hele ecologie en economie eromheen om na te denken over de ecologische catastrofe van nu. Tegelijkertijd beschrijft zij hoe je een leven kunt maken in extreme omstandigheden en dat geeft mij hoop. Zonder dit boek had ik Lief slecht ding niet kunnen schrijven. Dat gaat namelijk ook over het voortleven ten tijde van permanent geworden catastrofe.

Wat kunnen wij doen tegen klimaatverandering?
Ik geloof niet in technische oplossingen die de klimaatveranderingen gaan tegenhouden. Dat is te laat. Ik geloof dat het veel meer moet gaan om overlevingstactieken, waarbij we onszelf niet in het middelpunt stellen van de wereld. We moeten onze relativiteit als menselijke soort inzien. Ik denk dat we zo’n soort denken nodig hebben in de toekomst. Nee nu! We hebben nu al nieuwe manieren van denken nodig. Dat heb ik geleerd van Tsing en dat heeft mijn schrijven heel erg gevoed. Dat soort ideeën zijn essentieel. Iedereen zou haar boek moeten lezen. Op zijn achttiende!

Camus of Houellebecq? Camus.

Tolstoj of Dostojevski? Dostojevski.

Zadie Smith of Joan Didion? Zadie Smith.

Jane Austen of Virginia Woolf? Virginia Woolf.

Freud of Lacan? Freud.

Kathy Acker of Chris Kraus? Daar kan ik niet tussen kiezen, maar zonder Acker geen Kraus.