Wat was het mooiste moment tijdens het schrijven van uw nieuwe boek?
Het vinden van de stem van het verhaal; de verteller die beschouwt. In dit boek is dat de ijsvogel. Toen ik merkte dat deze vogel met een soort vaderlijke liefde naar de hoofdpersoon van het boek kijkt, kon ik er ineens veel van mezelf in kwijt. De vogel kijkt naar de jongen die man wordt, zoals ik naar mijn zoontje kijk.

Waarom specifiek een ijsvogel, en geen roodborstje bijvoorbeeld?
Het heeft niet een heel specifieke reden. Ik woon in de buurt van het Westerpark en daar is drie jaar geleden een ijsvogel gesignaleerd. Sloterdijk, het dorp waar dit boek op gebaseerd is, ligt ook aan het Westerpark. Daarnaast vind ik ijsvogels erg fascinerend, ze hebben een soort trotse, eigenwijze uitstraling terwijl ze tegelijkertijd ook lieflijk en teder aandoen.

In uw boek is een belangrijke rol weggelegd voor de beleving van een dorp, waar komt die inspiratie vandaan?
In mijn verhalen is altijd een belangrijke rol weggelegd voor de plek waar het verhaal zich afspeelt, Sloterdijk had daarin voor mij iets fascinerends. Het is namelijk een dorp dat zichzelf heeft zien verdwijnen door de expansie van Amsterdam, zo heeft de bouw van de ring de helft van het dorp weggevaagd. Het idee voor de hoofdpersoon van dit boek kwam na een bezoek aan de Petruskerk in Sloterdijk, en de ontmoeting met de beheerder van die kerk.

© Tessa Postuma de Boer

Hoe word je van klinisch psycholoog eerst kok en dan auteur?
Toen ik klaar was met mijn studie stond ik voor een keuze: of ik ging verder als psycholoog bij een kliniek in Den Haag, of ik zou bedrijfsleider worden van het restaurant in Amsterdam waar ik toen al werkte. Ik volgde mijn hart en koos voor het laatste. Na nog wat jaren eindigde ik als chef bediening van een gerenommeerd restaurant in Amsterdam. Nadat ik het plezier in mijn werk ging missen zegde ik mijn baan in het restaurant op. Na nog een tijd te hebben gekookt ging ik op aanraden van mijn vrouw naar de open dag van de Schrijversvakschool. Het schrijven had ik immers met passie gedaan tot aan mijn zesentwintigste en was op de achtergrond geraakt door het werk in de horeca. Toen ik werd aangenomen aan de Schrijversvakschool was het voor mij een bevestiging om me volledig te focussen op het schrijven. Terugkijkend vind ik dat ik als jonge twintiger had moeten snappen dat die sterke drang van mij eentje was om naar te luisteren.

Wie van uw tijdsgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Boeken van kwaliteit, die dus tijdloos zijn, worden continu geschreven.

Wat is de beste vechtscène in een roman ooit?
In vrijwel ieder boek van Cormac McCarthy zit wel een geweldige vechtscène. Het is allemaal gritty en lelijk; geweldig.

Wie zijn uw favoriete schrijvers?
Daar heb ik er heel veel van, het zijn wel overwegend Amerikanen. Ik ben helemaal weg van het Southern Noir-genre, dus dan kom je al gauw bij schrijvers als William Gay, Daniel Woodrell en Tom Franklin.

Vanwaar die liefde voor de Southern Noir?
Het aardse en zintuigelijk trekt me enorm aan in dat genre. Als lezer heb ik handen en voeten nodig, aarde en water. Je moet me dat lijf in trekken. Daarna kan een auteur overal heen, maar eerst moet ik het personage voelen. Dat is wat de Southern Noir zo goed doet. Daarnaast is het een genre van uitgebreide omschrijvingen van de omgeving, en hoe die omgevingen het verhaal urgentie en spanning kunnen geven. Iets wat ik in mijn eigen werk ook probeer te verwerken.

Welke schrijver is volgens u het meest overschat?
Dat zijn er meerdere, ik vind het alleen niet heel chic om te zeggen wie. Dat kritische komt denk ik automatisch als je schrijver bent. Ik ben namelijk altijd heel erg kritisch op mijn eigen werk, wat maakt dat ik ook door die bril naar werk van anderen kijk.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat dan zijn?
Als schrijver ligt het dan voor de hand om ‘alles voor 1970’ te zeggen, toen er nog niet een overvloed aan schrijvers was en mensen meer lazen. Maar als ik specifieker ben, dan lijkt het me erg interessant om in het Amsterdam van de fotograaf Jacob Olie rond te lopen, dat is zo rond het einde van de negentiende eeuw. Als ik die foto’s van hem bekijk van Amsterdam uit die tijd, zwijmel ik. Al weet ik natuurlijk ook wel dat toentertijd zowat iedereen die tbc kreeg hartstikke doodging en de kindersterfte torenhoog was.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik kan een aantal dingen best wel goed, en maar een paar dingen écht goed. Het schrijven, daarin probeer ik echt goed te zijn en dat geef ik dan ook m’n volle aandacht. De rest is secundair. O, ik kan aardig bouwen, zo heb ik zelf ons appartement verbouwd. Maar ook daarin ben ik geen expert. Zo kun je bijvoorbeeld zien dat ik een beetje suf was die dag dat ik de gang uitmeet: de ene muur staat twee centimeter verder naar binnen dan de andere.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een wit laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. Welk personage uit de literatuur zou u voor een diner uitnodigen? En wat zouden jullie eten?
Ik zou crêpes au citron eten met Nicolas uit Nicolas en de verdwijning van de wereld van Anne Eekhout. Dan kijken we naar het water en vertel ik hem dat alles goed komt; dat hij de wereld heeft gered.

Welk boek zou iedereen op z’n achttiende gelezen moeten hebben?
Wat op mij op die leeftijd veel indruk heeft gemaakt is Mr. Vertigo van Paul Auster. Maar eigenlijk gaat het mij er meer om dat jonge mensen boeken lezen die hen écht raken, en niet omdat iemand anders zegt dat het een geweldig boek is. Ik geef af en toe ook les op een middelbare school aan kinderen van zestien tot achttien. Wat ik daar merk wat belangrijk is, is dat die kinderen zelf gaan schrijven, zo raken ze geïnspireerd en willen ze ervaren hoe anderen dat doen. Dan komt het lezen vanzelf.

Wat is het interessantste wat u onlangs van een boek geleerd heeft?
Elizabeth Strout schrijft op een manier waar ik veel van heb geleerd. Soms lijkt het alsof ze een muntje opgooit om te bepalen of een personage blijft leven of niet. Waar je in haar verhalen een opbouw van de verhaallijn vermoedt, wordt die opbouw even vaak wel als niet uitgewerkt. Personages vallen soms zomaar weg. Daardoor komen haar verhalen dichter bij de realiteit, want is het niet zo dat mensen inderdaad ineens weg kunnen vallen? Als er dan een personage verdwijnt stopt het verhaal niet, en tegelijkertijd verliest het niet je aandacht, dat vind ik fascinerend.

Welk boek ligt naast uw bed?
Een hele stapel boeken van bevriende schrijvers die ik nog moet lezen.

Proust of Joyce?
Proust heb ik nooit gelezen, maar met Joyce heb ooit nog achter de bar gewerkt. Ik herinner me dat ze erg goed fluitjes kon tappen.

Kerouac of Ginsberg?
Kerouac

Wolkers of Reve?
Reve

Chet Baker of Miles Davis?
Pfoe, dat is een lastige! Dan toch Miles Davis.

Hemingway of Fitzgerald?
Hemingway, all the way.

Camus of Houellebecq?
Camus, ik vind Houellebecq overschat.

Zadie Smith of Joan Didion?
Zadie Smith