Wat was de inspiratie voor het schrijven van Het licht in de stad?
Als forensisch psycholoog heb ik gewerkt bij de terroristenafdeling, in de tijd van Islamitische Staat en het kalifaat. Ik ben gefascineerd geraakt door de jonge vrouwen die daar zaten. Er zaten natuurlijk heel onevenwichtige types tussen, maar ook veel slimme mensen die in Nederland een goede toekomst hadden kunnen hebben. Ze hadden extreme opvattingen, maar konden daar goed over praten. Hun radicalisering was vaak heel snel gegaan, veel waren niet heel gelovig van huis uit. Wat bewoog deze jonge vrouwen om zich aan te sluiten bij het kalifaat? En zou ik daar als jong meisje ook gevoelig voor zijn geweest?

Hoe heeft u zich verdiept in de islam?
Ik heb bijvoorbeeld bij een moskee een cursus theorie en geschiedenis van de islam gevolgd. Dat bleek alleen geen informatiecursus, zoals ik dacht, maar een cursus voor vrouwen die zich wilden bekeren tot de islam. Ik mocht gelukkig blijven. Iedere les kwam de oproep tot gebed. In de loop van de zes weken bekeerden steeds meer vrouwen zich en sloten zich aan. Dat ziet er heel mooi uit, met hun enkels tegen elkaar knielen ze dan in een beweging in de gebedshouding. De nog niet bekeerden bleven achter in de zaal zitten. Op het laatst zat ik alleen.

Kon u zich verplaatsen in die vrouwen?
Ik verwachtte dat veel van deze vrouwen zich wilden bekeren omdat ze verliefd waren geworden op een moslim. Maar voor de meesten was het een heel bewuste keuze. Zij vonden vrijheid en rust in de islam. Wij denken heel vrij te zijn hier in West-Europa, maar als vrouw moet je toch aan allerlei eisen voldoen. Zie ik er wel leuk uit? Gedraag ik me wel op de juiste manier? Wanneer je leeft volgens de islamitische leefregels en jezelf bedekt, hoef je je daar allemaal geen zorgen meer over te maken.

Herkent u uw eigen jeugd in Sophie, de hoofdpersoon van uw boek?
Ik herken me wel in dat zoekende en dat nieuwsgierige van Sophie. Ik was als puber op een bijna neurotische manier bezig met wat anderen van me vonden. Toen ik tijdens de bekeerlingencursus zo eenzaam tegen de ruggen van al die biddende vrouwen aankeek, zette me dat wel aan het denken. Als ik hier als puber had gezeten, had ik me denk ik heel afgewezen gevoeld door een god die ik zocht maar niet kon vinden.

© Keke Keukelaar

Heeft u zelf meer rust gevonden?
Zelf voelde ik eerder een frustratie dat ik die rust niet kon vinden. Ik denk dat mijn boek daar over gaat. Over het verlangen naar eenduidigheid van een jong meisje, Sophie, en de verscheurdheid die ze ervaart. Aan de ene kant voelt ze zich aangetrokken tot een radicaal antwoord. Die extreme variant van de islam, die zoals haar vader zegt weinig te maken heeft met het echte geloof. En aan de andere kant zou ze graag die mooie, troostrijke kant van de islam ervaren. Maar ze komt er niet bij.

Sophie is geen jihadist. Was zij het juiste hoofdpersonage om dit fenomeen te beschrijven?
Ik was vooral benieuwd om het te bekijken vanuit een Nederlands meisje. En om die verschillende perspectieven erin te verwerken, met name van die jongeren. Zala, een vriendin van Sophie, heeft juist een hele vanzelfsprekende verhouding tot de islam. Van iemand die de kant van het jihadisme opgaat, zoals het personage Isra, heeft Zala dan ook een afkeer. Ik zou het niet vanuit het perspectief van een Marokkaans-Nederlandse hebben kunnen schrijven. Dat staat toch te ver van me af.

Uw vorige roman ging over een dorpsjongen die worstelt met zijn pedofiele gevoelens. Die stond ook ver van u af, neem ik aan. Moet men zich als schrijver niet in alles kunnen inleven?
In principe wel. Veel ervaringen zijn natuurlijk universeel. Maar ik voel een soort schroom bij dat idee. Ik zou bang zijn fouten te maken. Met Jonathan, de hoofdpersoon van mijn vorige boek, deelde ik toch dezelfde culturele achtergrond. En misschien is het ook een kwestie van mogen. Het zou wel moeten kunnen, maar toch heb ik ergens het gevoel dat het niet mag.

U heeft elders gezegd dat u met fictie dichter bij de belevingswereld van een persoon komt dan ooit gelukt is in uw psychologische praktijk. Wat vermag fictie wat psychologie niet lukt?
Als forensisch psycholoog ben je toch vooral bezig met analyseren. Bovendien blijf je altijd professioneel wantrouwig tegenover je cliënten: zij hebben er natuurlijk belang bij om zich op een bepaalde manier voor te doen. Sowieso is het eigenlijk een hele rare situatie, dat je zo een oordeel velt over een ander mens.

In de wereld van de fictie vind ik het heel bevrijdend dat ik zulke vragen niet hoef te beantwoorden. Niet hoef na te denken hoe het dan eventueel heet waar iemand onder lijdt. Met fictie leg je ook meer van jezelf in zo'n personage. Zo blijft het dichtbij. Maar ook je eigen personages worden zelfstandige individuen die je weer moet leren kennen. Net als in mijn praktijk weet je nooit helemaal hoe een personage zich echt voelt, er blijft altijd afstand.

Is dat iets slechts?
Weet ik niet. Ik heb vaak het idee dat we als beroepsgroep onderschatten hoe het is om onder bepaalde omstandigheden op te groeien, om in de gevangenis te zitten. Maar ook om zo afhankelijk van het oordeel van anderen te zijn. Sinds ik ben gaan schrijven realiseer ik me beter hoe het is om aan de andere kant van de tafel te zitten.

U schrijft in uw boeken en columns heel invoelend over onderwerpen die bij veel mensen afschuw oproepen. Hoopt u bij te dragen aan meer compassie voor mensen aan de zelfkant van de maatschappij?
Als mijn werk dat zou oproepen vind ik dat natuurlijk fijn. Maar het is niet de reden waarom ik schrijf. Tot nu zijn dit gewoon onderwerpen die mij interesseren. De donkere hoeken van de samenleving waar niet zoveel licht op geschenen wordt. Dat wat het onbegrijpelijkst lijkt, wil ik juist begrijpen.

Welk personage uit de (wereld)literatuur lijkt u een interessante casus om professioneel te onderzoeken?
Ik zou de hoofdpersoon uit L'étranger van Camus wel tegenover me willen hebben. Ik ben heel benieuwd of die echt zo onverschillig is en of zijn daad zijn zelfbeeld heeft veranderd.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Het eerste wat in me opkomt is The Heart Is a Lonely Hunter van Carson McCullers, over een jong meisje uit het zuiden van Amerika dat door de stad dwaalt. Hoe je als je zo jong bent de magie van het leven voor het eerst ervaart. Dat zo'n meisje Mozart hoort en het helemaal door haar lichaam gaat. Dat had ik ook als puber.

Is er een schrijver aan wie u echt schatplichtig bent?
Gerard Reve en dan met name De avonden. De neiging om banale dingen heel gedetailleerd op te schrijven heb ik ook, waarin het benauwende van de tijd die maar voortkabbelt naar voren komt.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates maakt heel invoelbaar hoe het moet zijn om in een zwart lichaam te wonen in een overwegend witte wereld. Omdat het lichamelijke sterk wordt benadrukt gaat het nog dieper dan wanneer het alleen op een verstandelijke manier was beschreven.

Als je daarmee het volwassen leven begint ben je hopelijk meer geneigd om ervaringen van anderen te willen onderzoeken. Het klinkt misschien suffig, maar er komt zoveel ellende voort uit elkaar niet willen begrijpen. Denken dat anderen een soort typetje zijn, terwijl jij wel een volledig mens bent.

Welke auteur vindt u onderschat?
Andreas Burnier. Het jongensboek is zo'n roman die iedereen moet lezen. Gewoon omdat het zo mooi is.

En welke overschat?
Die noem ik liever niet. Dat vind ik sneu. Of wacht, ik vond Harry Mulisch altijd zo'n onuitstaanbare vent. De ontdekking van de hemel heb ik niet uitgelezen, ik vond de stijl helemaal niet mooi. Dat kan ik wel zeggen, die is toch al dood.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: die heeft een punt?
Een recensent vroeg zich na mijn laatste boek af of ik ook iets anders dan een enkel personage helemaal van binnenuit kon beschrijven. Maar ik wil geloof ik helemaal geen grote ideeënroman schrijven, met een veelvoud aan personages. Zulke boeken lees ik zelf ook niet graag. Een vriendin van me zegt: ‘Je hebt zoveel humor maar je schrijft altijd zo serieus.’ Ik zou het wel een uitdaging vinden om iets luchtigers te schrijven.

Tolstoj of Dostojevski?
Dostojevski.

Sylvia Plath of Virginia Woolf?
Sylvia Plath.

Freud of Lacan?
Dan Lacan. Die vind ik interessanter.