© Pieter M. Van Hattem

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van Het snoephuis?
‘Ik heb het meest gelachen tijdens het schrijven over Alfred, het personage dat geobsedeerd is met authenticiteit. Ik vind het waarschijnlijk veel grappiger dan het is, hij met die zak over zijn hoofd tijdens het avondeten en zijn verbijsterde grootouders. Ik vind gedrag dat buitensporig is heel grappig. We willen allemaal zo graag alles normaal maken de hele tijd, wanneer iemand dat niet wil doen heeft dat iets spannends. Ik vind het leuk om een idee tot in het meest extreme door te voeren. Ik was ook heel gelukkig tijdens het schrijven van het hoofdstuk “Het mysterie van onze moeder”, toen het me lukte om in de eerste persoon meervoud te schrijven. Dat had ik al heel vaak geprobeerd, maar nooit kreeg ik het levendig.’

Als het Collectief Bewustzijn echt was, zou u het dan gebruiken? En is het verleidelijker om uw eigen herinneringen te herbeleven, of om getuige te kunnen zijn van de gedachten van anderen?
‘Het is erg verleidelijk… Ik zou in elk geval mijn herinneringen uploaden, ik heb alzheimer in mijn familie, dus het lijkt me prettig om een back-up te hebben van mijn geheugen. Soms frustreert het me hoe weinig van mijn leven ik me daadwerkelijk herinner, ook al is mijn geheugen erg goed. Hoe ouder ik word, hoe meer ik nadenk over mijn kindertijd. Het zou interessant zijn om die herinneringen nog eens terug te kunnen zien. Ik zou niet daadwerkelijk in het bewustzijn van iemand anders willen kijken. Ik doe natuurlijk voortdurend alsof ik dat kan, dat is wat literatuur schrijven inhoudt, maar in het echt zou het huiveringwekkend zijn.’

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar en wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat dan zijn?
‘De negentiende eeuw is onweerstaanbaar voor een schrijver, de roman had toen zo’n grote culturele invloed! Maar dan zou ik wel een man willen zijn, misschien in Engeland? Ik ken de Engelse literatuur het best, maar Frankrijk of Rusland zouden ook interessant kunnen zijn.’

Heeft uw eigen werk iets negentiende-eeuws?
‘Alles functioneert voor mij als narratieve suggestie of inspiratie. Ik denk altijd na over hoe ik dingen in een verhaal kan gebruiken, waar ik ook ben. Toen ik bijvoorbeeld begreep wat een blockchain was, dacht ik meteen: ik moet ooit een verhaal schrijven dat die structuur gebruikt. Wie weet of het me ooit zal lukken. Maar dat gevoel van alles willen gebruiken doet me denken aan de negentiende eeuw, omdat boeken uit die tijd zoiets hongerigs hebben. Ze zijn zo lang! Er zit zo’n drang in om alles uit de wereld te gebruiken en in het boek te trekken, zo voel ik me ook over mijn schrijverschap.’

In een prachtige scène wordt het personage Miles Hollander onverwacht overvallen door heftige emoties wanneer hij naar plastic bouwsculpturen kijkt vanuit een luchtballon. Heeft u ooit een ervaring van vergelijkbare intensiteit gehad door het kijken naar kunst?
‘Dat kunstwerk bezorgt hem een openbaring, hij beseft ineens dat hij al jaren is opgehouden te leven. Voor mij heeft kunst ook die openbarende kracht. Kunst is het enige wat van ons overblijft. Het zorgt ervoor dat ik reflecteer op wie ik ben en wat ik aan het doen ben. Toen ik achttien was heb ik een jaar door Europa gereisd. Op een gegeven moment stond ik in het Victoria and Albert Museum in Londen te kijken naar achttiende-eeuwse keramieken en servies. Op al die voorwerpen stond een verhaal afgebeeld. Op een bord stonden bijvoorbeeld allerlei slangen getekend, met mensen die eromheen dansten. Ik voelde toen een begrip van iets van de achttiende-eeuwse tijdgeest, de behoefte om niet zomaar aan tafel te zitten, maar een soort theatrale ervaring te hebben tijdens het eten. Ik voelde me ineens zo verbonden met die tijd, dat had iets ongelooflijks. Ik besefte hoe krachtig kunst is, niet alleen in het heden, om te bewonderen, maar ook omdat het ons in staat stelt om te tijdreizen door de jaren heen en een andere tijd te begrijpen.’

In het hoofdstuk ‘Wat het woud zich herinnert’ stelt het personage Charlie Kline: ‘Hoe waag ik het met mijn verbeelding kloven van geslacht, leeftijd en culturele context te overbruggen?’ Dat is grappig, omdat zij zelf natuurlijk een product van uw verbeelding is. Voelt u wel eens deze aarzeling die Charlie beschrijft bij het schrijven van uw personages?
‘Jawel. Vooral als het gaat om het schrijven van personages met een andere etnische achtergrond dan ik. Mijn echtgenoot is joods, en we hebben onze zoons joods opgevoed, maar toch zou ik niet zo snel vanuit een joods personage schrijven, ik zou bang zijn dat ik dat perspectief geen recht kan doen. Ik vond het ook spannend om te schrijven over Bix. Ik voelde sterk de verantwoordelijkheid om het goed te doen, ik liet de hoofdstukken over hem lezen aan veel zwarte vrienden van mij. Lezers zijn dol op Bix, ze willen meer, ze willen misschien zelfs een heel boek over hem. Maar ik heb het gevoel dat ik misschien niet degene ben om dat boek te schrijven. Al vind ik wel dat je alles moet kunnen schrijven. Maar je moet het wel goed doen, en als blijkt dat je mensen tegen het zere been schopt, moet je naar die mensen luisteren. Er zitten veel Ierse Amerikanen in mijn werk, en dat is niet omdat ik Ierse Amerikanen nou zo fascinerend vind, maar ik merk dat ik me vrijer voel bij mijn eigen familiegeschiedenis, daar ben ik minder bang dat ik in stereotypes zal vervallen.’

Het snoephuis wordt beschreven als een onderzoek naar de invloed van technologie op ons gevoel van ruimte. Hoe belangrijk is de rol van het fysieke in uw werk?
‘Het fysieke is cruciaal. Het is mijn ingang naar alles wat ik schrijf. Ik begin altijd met tijd en plaats, en dan niet in abstracte zin, maar in de zin van: op welk moment zijn we in deze ruimte? Het is grappig, want ik denk best abstract, en ik word erg gemotiveerd door ideeën, maar uiteindelijk is het fysieke het meest fundamenteel. Daardoor voelt de fictie levend, daardoor geven we om de personages. Het is grappig dat dit boek steeds besproken wordt als een roman over technologie, terwijl dat niet echt is waarom je het uiteindelijk uit wil lezen, volgens mij.’

Het snoephuis is opgebouwd volgens de structuur van electronic dance music (EDM). De verschillende delen zijn vernoemd naar de opbouw van een liedje: build, break, drop, build. Bezoek van de knokploeg is opgebouwd als een EP, met een A-kant en een B-kant. Luistert u veel naar muziek?
‘Niet zo veel als je zou denken! Zeker niet terwijl ik schrijf, muziek is heel narratief voor mij. Dus dan zou het me te erg afleiden. Ik hou ook gewoon heel erg van stilte, stilte zit vol met geluiden. Ik hou heel erg van klassieke muziek. Muziek geeft me altijd ideeën voor verhalen, omdat het me zo doet nadenken over structuur. Met Het snoephuis wilde ik iets doen met ritmes die elkaar vervangen, net als in EDM, in plaats van ritmes die samenwerken om een groter verhaal te vertellen.’

Beïnvloedt het luisteren naar muziek uw werk?
‘Jazeker. Het snoephuis is bijvoorbeeld sterk beïnvloed door een liedje genaamd Paper Boats van de band Nada Surf. Dat is geen EDM, maar dat liedje werkt op dezelfde manier. Op een gegeven moment stopt de zanger met zingen en krijgen we een instrumenteel deel, en dat gaat veel langer door dan je zou denken. Als je naar de tekst luistert, denk je: o, dit liedje gaat over treinen, maar tijdens dat instrumentele deel wordt ineens duidelijk dat er een duistere ondertoon in het liedje zit, die eerst verborgen werd door de tekst. Die duistere ondertoon komt dan pas naar voren, terwijl die er, als je goed luistert, altijd al in zat. Dat vond ik heel interessant, ik wilde graag een structuur opzetten die daarop lijkt. Die EDM-termen drukken dat ook uit: ik wil eerst beginnen op een bepaalde manier, en dat daarna ondermijnen, en dan komt er een nieuw ritme bij in het boek, dat ook weer verdwijnt, en uiteindelijk is er een soort terugkeer, daardoor wordt het toch nog een organisch geheel, een soort cirkel. Terwijl Bezoek van de knokploeg gestructureerd is als een album, en de structuur van een album is niet circulair, maar een boog: van A naar B.’

Is er een boek, geschreven door iemand anders, dat u zelf geschreven zou willen hebben?
‘Zo denk ik er niet over na. Ik ben gewoon heel dankbaar als ik een prachtig boek uit heb. Bijvoorbeeld dat boek van Lauren Groff, Matrix. Dat vond ik fantastisch. Zij heeft een manier gevonden om een verre eeuw op te roepen, niet alleen door een bepaald vocabulaire te gebruiken, maar ook door een bepaald ritme in haar taal te stoppen. Toen ik dat uit had, dacht ik niet: had ik dit maar geschreven, maar voelde ik me zo dankbaar dat zij fictie schrijft. Zoveel intelligente, interessante, goede auteurs gaan schrijven voor televisie, en dat baart mij zorgen, want televisie wordt beter en beter, en als het ook nog lucratiever is dan literatuur gaan alle schrijvers dat doen en wordt de fictie beroofd van goede auteurs. Ik hou gewoon zo erg van lezen, ik snak naar goede boeken. En als een auteur eenmaal voor televisie geschreven heeft, is het heel moeilijk om weer een roman te schrijven zonder beïnvloed te worden door die schrijfmotto’s van televisie, en dat levert dan een roman op die minder goed is.’

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat dan zijn?
‘In Manhattan Beach zit veel historisch detail. Ik was daar zelf enorm door gefascineerd, maar ik denk dat ik heb overschat hoe interessant dat werkelijk is voor de lezer. Eigenlijk denk ik dat ik zes maanden had moeten wachten nadat ik het geschreven had, en het dan nog één keer had moeten herschrijven. Dat is een idee waar ik vaker mee speel, ik denk dat er veel te winnen is met gewoon wachten.’

Met welk fictief personage identificeert u zich?
‘Lily Bart, de protagonist uit Edith Whartons boek Het huis van vreugde. Elke keer dat ik dat boek lees, moet ik huilen. Het is een Griekse tragedie in die zin dat het al die regels volgt, maar het is ook een krachtige aanklacht tegen een seksistische maatschappij aan het begin van de twintigste eeuw in Amerika, en ook een aanklacht tegen snobisme. Ik identificeer me ontzettend met haar, zij is een persoon die wegglijdt, die zichzelf niet kan redden. Het is zo hartverscheurend, elke keer als ik het lees word ik totaal meegesleept.’

Heeft u verborgen talenten?
‘Ik bak ontzettend goede taarten. Mijn grootmoeder heeft me dat geleerd, en ik gebruik nog altijd haar recepten. Dat maakt me gelukkig, want elke keer als ik een taart bak, voel ik me heel verbonden met haar, ook al leeft ze allang niet meer.’

Dus eigenlijk is ook dat een manier van tijdreizen voor u, net als kunst. Bezoek van de knokploeg werd geïnspireerd door Proust. Denkt u nog altijd veel na over tijd?
‘Ja. In september word ik zestig, dan heb ik meer dan een halve eeuw geleefd. Daardoor begrijp ik nu, op een manier die onmogelijk voor me was toen ik jonger was, dat een eeuw helemaal niet zo lang is. Met dat besef lijkt de tijd van Shakespeare een stuk minder ver weg. Het is maar een paar eeuwen geleden! Ik wist altijd wel op een abstracte manier dat de menselijke geschiedenis nog maar heel kort geleden is begonnen, maar ik begrijp dat nu op een veel tastbaardere manier. Mijn perspectief op tijd verandert met de jaren, op een interessante manier. Toen ik Proust las, was ik 22, te jong. Ik dacht: tijd gaat voorbij, nou en? Nu ik ouder ben, is dat anders. Tijd is interessant omdat het een essentieel onderdeel is van literatuur. Elk boek gaat over tijd die voorbijgaat. Er moet tijd voorbijgaan om een narratief te laten ontstaan, al is het maar een dag, een minuut. Tijd is ook een soort probleem dat we niet kunnen “oplossen”, als mensen. We zijn beperkt door het moment waarop we geboren worden en de jaren die ons resten. Dat is ook waarom kunst me zo aangrijpt, kunst duwt tegen die begrenzing van tijd aan. Net zoals je verbonden voelen met een persoon die er niet meer is.’

Wat is het beste schrijfadvies dat u ooit heeft gekregen?
‘Ik zal je het slechtste advies vertellen! Een schrijver die ooit op bezoek kwam op mijn school zei: “Write what you know.” Maar ik schrijf juist wat ik niet weet, ik schrijf wat ik wil ontdekken. Wat ik al ken verveelt me. Advies is sowieso een lastig concept, want iedereen is zo individueel en onze ingang naar fictie is zo persoonlijk. Maar voor mij is schrijven altijd achterlaten wat ik al ken en het mysterie betreden, dat motiveert mij.’

Wat leest u in moeilijke tijden?
‘Een goede roman! Het maakt niet uit waar een roman over gaat, als een roman echt goed is, dan stelt die me in staat datgene te doen wat eigenlijk niet kan: ontsnappen aan mijn eigen leven. Schermen kunnen dat niet. Als ik naar iets heb gekeken, voel ik me daarna altijd een beetje leeg, met vermoeide ogen.’

Joan Didion of Zadie Smith?
‘Eh… dit soort vragen hebben iets kunstmatigs. Ik kies Zadie Smith, maar ik hou heel erg van Joan Didion.’

George Eliot of Charles Dickens?
‘Dat is heel moeilijk! George Eliot, maar ze zijn allebei geweldig.’

Rebecca Solnit of Chris Kraus?
‘Solnit.’

William Faulkner of Virginia Woolf?
‘Virginia Woolf.’

Proust of Joyce?
‘Dit is zo silly! Waarom niet alles? Proust!’