21 vragen aan… Jessica Durlacher

Jarenlang werkte Jessica Durlacher (1961) aan de juiste vorm om een reeks ingrijpende gebeurtenissen van begin deze eeuw in te kunnen verwerken. Ayaan Hirsi Ali speelde een prominente rol in dat tijdsgewricht. Het leverde de roman De stem op, die afgelopen januari verscheen.

Hoe is je nieuwste roman De stem tot stand gekomen?
Als iets me persoonlijk raakt, wil ik daar altijd op de een of andere manier uiting aan geven. 9/11, de moorden op Fortuyn en Van Gogh en alle gebeurtenissen rondom Ayaan Hirsi Ali, met wie we destijds veel contact hadden, maakten indertijd grote indruk op me. Het was een angstige, hevige tijd, en ik heb lang gezocht naar een vorm om er een nieuw verhaal van te maken. Ayaans roem was kolossaal, en ze genereerde ontzettend veel aandacht. Het leek me een goed idee om haar in het boek als zangeres te portretteren. Daarmee kon ik haar allure en de fascinatie die ze opriep vangen.

De stem raakt aan maatschappelijk gevoelige thema’s. Hoe gaat u daarmee om?
Dat is uitdagend en ingewikkeld. Mijn doel was om zo objectief en waarachtig mogelijk te blijven. Mijn hoofdpersoon bestaat voornamelijk uit ogen en gevoelsmembranen, waarmee ze de emoties die gevoelige thema’s oproepen, registreert. De angst voor het andere, de uitwassen van een religie, afvalligheid, een andere cultuur, een andere kleur. Ik heb geprobeerd zo eerlijk mogelijk haar gevoelens en gedachten te beschrijven, ook de gedachten die de meeste mensen voor zichzelf houden. Maar ze oordeelt niet. Een jonge recensent vroeg zich af of het drama in mijn boek wel geloofwaardig was, wat ik verbijsterend vond. En de aanslagen op Theo van Gogh en Charlie Hebdo dan? Lale Gül, die nu ontzettend bedreigd wordt? Ayaan moest vluchten omdat iemand in haar naam werd vermoord. Niks verzonnen. Uit zo’n reactie blijkt de gevoeligheid; voor sommigen mag het gewoon niet. Of misschien mag ik het niet.

© Suzanne Aarts

Wanneer wist u dat u schrijver wilde worden?
Dat wilde ik eigenlijk al van jongs af aan – maar ik kon me heel lang niet voorstellen dat het een realiseerbare droom was. Mijn vader schreef angstaanjagend echt over niet te overtreffen erge dingen. De oorlog, Auschwitz. Vergeleken daarmee zijn alle verhalen lichtzinnige onzin, dacht ik. Ik had lang het gevoel dat ik er niet mocht zijn, geen recht van spreken had. Ook was ik als de dood om hem te kwetsen met wat ik zou schrijven. Ik schreef wel, maar altijd heel bevangen. Toen hij overleed, ik was toen vijfendertig, dacht ik aanvankelijk dat ik het nooit meer zou durven proberen. Het kostte moeite om me daar overheen te zetten. Ik moest schrijven als ik wilde zijn wie ik was, al voelde het smartelijk dat ik het hem niet meer kon laten zien. Vanaf dat besluit schrijf ik écht.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Ik vind het echt ondenkbaar om al te kritische recensenten – recensenten! – gelijk te moeten geven. Hou op! Verschrikkelijk. Editors? Oké. Maar recensenten? Die in hun ochtendjas met de natte vinger een mening fabriceren en dan iets kuts over jouw boek zeggen, waar je zo lang aan gewerkt hebt? Niet te doen! Elk boek doordenk ik eindeloos en wat iemand daar niet aan zint, heb ik zelf al honderd keer bedacht – en verworpen. Maar stijlkritiek kan me kwetsen, want je stijl, dat ben je zelf.

U bent zelf ook recensent geweest, toch?
Ja, maar ik ben echt gestopt uit overtuiging. Het voelde vals om hardvochtig te zijn over andermans werk. Ben alleen nog boeken gaan bespreken die ik heel mooi vond. Ik wantrouw eigenlijk altijd de motieven van sommige recensenten, net als ik die van mezelf op een gegeven moment niet meer vertrouwde. Eén naar motief is om in de smaak te willen vallen bij anderen. Het positioneren. Een dialoog voeren met de mensen wier goedkeuring van belang lijkt. Een schrijver is naakt. Iemand uitwissen, cancelen, is wreed, onrechtvaardig en onnodig.

Welk boek ligt momenteel naast uw bed?
Ik lees altijd verschillende boeken tegelijkertijd. Ik ben nu bezig in De rat van Amsterdam van Pieter Waterdrinker, Het grote niets van Nadav Vissel, Apeirogon van Colum McCann en Ann Petry’s The Street.

Welke schrijver is naar uw idee het meest onderschat?
Ik moet meteen aan Marja Brouwers denken. Haar boek Casino, over de criminele wereld in Amsterdam ten tijde van Klaas Bruinsma, is indertijd her en der afgeserveerd, terwijl het een geweldig boek was. Volgens mij heeft ze daarna haast niets meer geschreven, heel erg.

Welk soort boeken vindt u het meest overschat?
Dat kan ik niet beoordelen. Maar ik haat het als mensen koketteren met boeken die ze niet echt begrijpen. Joyce en Musil, bijvoorbeeld, die alleen te lezen zijn met studie en diepe aandacht. Net als modernere schrijvers zoals Don DeLillo. Als hij iets schrijft, vindt iedereen het prachtig, maar het blijft in mijn ogen altijd duister. Als ik ergens niet doorheen kom, zal ik het niet gaan prijzen uit devote onmacht.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Madame Bovary’s zelfmoord, met een giftig drankje van vingerhoedskruid. Een hele donkere scène, heel visueel. Tegelijkertijd heeft het ook iets dat vagelijk interessant en fascinerend is. Volgens mij heb ik het boek dertig jaar gelezen gelezen, maar het beeld van dat vreselijke zwart staat me nog steeds voor ogen.

En de beste seksscène?
In Sabbaths theater van Philip Roth, over een man, Mickey Sabbath, die volledig bezeten is van een vrouw, staan talloze beestachtige seksscènes. Maar je ervaart de tragiek van die hang naar vlezigheid als een poging om een bepaald soort pijn te overwinnen. Doodsdrift, maar ook levenslust. In een goede seksscène doorleef je de hele tragiek van lust, leven, pijn en dood.

Wat is uw ‘guilty pleasure’?
Voornamelijk series kijken, tegenwoordig wel heel vaak… Ik hou erg van Shtisel, over een Haredi-familie in Israël en hun ingeperkte levens. Zo goed gemaakt! Ondanks alles gaat er ook ontzettend veel schoonheid vanuit. Onderdrukte liefde, de behoefte om eruit te breken en iets van het leven te maken, gehoorzaamheid – alles strijdt met elkaar.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik kon goed turnen en vond atletiek überhaupt stiekem leuk. Mijn vader moest al braken bij de gedachte eraan, hij vond sport iets voor wilden en fascisten, en als kind werd ik er bepaald niet in gestimuleerd. Ook kon ik goed blokfluiten en zingen, en ik hield van tekenen. Zeer verborgen talenten, altijd geheimgehouden voor de wereld.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Toen ik jong was heb ik erg genoten van Kees de Jongen. Een belangrijk inzicht was voor mij hoezeer andere kinderen ook gevoelens en dromen hebben, ploeteren en twijfelen. Het maakte me meer op mijn gemak in de wereld. Maar moet je het kinderen nu nog aanraden? Misschien ervaren ze het nu als gedateerd, het ademt natuurlijk wel de vorige eeuw.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
Animal Farm, Moby Dick, Don Quichot, om er een paar te noemen. Vreselijk, eigenlijk moet ik gewoon terug naar school.

Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen? Waar zouden jullie het over hebben?
Nathan Zuckerman, alter ego van Philip Roth, uit onder andere The Ghost Writer en Exit Ghost. Maar behalve met Zuckerman, de aanstekelijk denkende en sprekende hoofdpersoon, had ik nog veel liever met Roth zelf gepraat over het manipuleren van werkelijke karakters en gebeurtenissen voor een fictioneel verhaal. Enorm moeilijk, maar hij durfde het zelfs aan om historische figuren als Anne Frank gemanipuleerd op te voeren.

Spit of MLR?
Dat is bijna een literair-politieke keuze. Ga ik voor de woordkunst van Marieke Lucas of voor de dramaturgische krachten van Lize? Ik kies Lize.

Reve, Hermans of Mulisch?
Mulisch

Austen of Woolf?
Austen, hoewel ze eigenlijk ook wel een guilty pleasure is. Tegelijkertijd is het zo knap qua sociaal-psychologische diepgang dat ik het heel goed kan verantwoorden.

Tolstoj of Dostojevski?
Tolstoj

Atwood of Winterson?
Atwood

Camus of Houellebecq
Camus heb ik te weinig gelezen. Ik vind Houellebecq wel volkomen geniaal, hoor.