De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

21 vragen aan… Laurine Verweijen

Volgens Laurine Verweijen weet niemand zo goed taal en thematiek te verweven als Marwin Vos en stralen de werken van David Hockney intens plezier uit. Verder moet iedereen op zijn achttiende een goede biografie gelezen hebben. Haar debuutbundel Gasthuis verscheen afgelopen februari.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw dichtbundel, Gasthuis?
Gelukkig waren er heel veel, maar wat me als eerste te binnen schiet is dat er op het laatste moment nog drie nieuwe gedichten ontstonden. Mijn redacteur had dat al gezegd: ‘Zodra het corpus van de bundel staat, schrijf je meestal nog een aantal nieuwe gedichten’, maar ik geloofde dat dus niet. Ik dacht: Zo werkt dat voor mij niet. Maar zo werkte het dus wel. Ik miste nog iets met hout, ik miste een bepaald iemand, ik miste nog iets; dat werden ‘Ego’, ‘Omweg’, en ‘Jongen’. Die drie gedichten maakten voor mij de bundel compleet. Een ander moment was het ontstaan van ‘Weeftechniek’. Zo veel dingen die ik al jaren bij me droeg vonden ineens hun plek en vorm in dat gedicht. Het stond in één drift op papier.

Welke bundel ligt er momenteel naast uw bed?
Ik heb altijd enorm veel bundels opengeslagen naast mijn bed liggen, plat op hun buik. Vanmorgen had ik Levenslust van Joke van Leeuwen in mijn hand. Ik lees er af en toe enkele regels uit. Bundels lees ik nooit in één keer van voor naar achteren, het gaat bij mij altijd in fases. Ik leg ze weg, pak ze er weer bij, sommige neem ik mee in mijn tas als ik naar mijn werk ga.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
In Gasthuis zou ik een lettertje veranderen, maar aan de bundel als geheel niet veel. Verder is er uiteraard een zwik gedichten die de bundel nooit haalden. De darlings waar ik uiteindelijk onverwacht makkelijk afscheid van nam.

Welke bundel, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Poëzie is bij uitstek iemands diep persoonlijke taaluniversum. Als je vraagt: ‘Welke bundel van een ander had je graag geschreven willen hebben?’ is de vraag eigenlijk: 'Wie zou je graag willen zijn?’ Die behoefte voel ik daarom niet zo. Ik kan bundels ontzettend waarderen en stuklezen, maar het roept nooit de gedachte op: Dit had ik zelf willen schrijven.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Nog best wat, denk ik. Dat komt omdat veel dichters nu echt een tijdsbeeld in kaart aan het brengen zijn. Ik denk dat poëzie daarom over honderd jaar een ontzettend leerzame informatiebak gaat zijn, op een bepaalde manier nog waardevoller dan geschiedenisboeken. Je ziet ook dat er flink veel bundels rond een bepaalde urgente thematiek verschijnen. Goed voorbeeld is de laatste van Ellen Deckwitz. Dat soort documenten zijn over honderd jaar echt tekenend voor 2020.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Ik heb er een handvol, maar laat ik Marwin Vos noemen. Er zijn weinig dichters die zo intuïtief aanvoelen welke taal een onderwerp kan dragen, of nodig heeft. Haar manier van schrijven vind ik magisch, bovenmenselijk bijna. Oorlogspaarden tot in de buitenwijken heb ik zo lang bij me gedragen. Daarin zet ze als het ware punten op plekken en thema’s in de wereld en verbindt die met elkaar. In haar meest recente boek, Het leven van sterren, over seksueel geweld, staat ze zichzelf veel minder poëtische taal toe, omdat de taal het niet mag overnemen van het onderwerp. De taal is uitgekleed, kaal gemaakt, zodat het onderwerp in zijn kwetsbaarheid wordt gezet. En dat moet bij die bundel.

Welke schrijver of welk boek is het meest overschat? En waarom?
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar de gedichten van Remco Campert verwonderen me niet zo. Dat deed het wel enigszins toen ik begon met lezen, maar er zijn zo veel stemmen die me meer bijblijven dat Campert er niet meer bovenuit steekt voor mij. En sinds ik weet dat hij het gebit van Fritzi Harmsen van Beek stukgooide met een asbak, vind ik het sowieso moeilijk om nog onschuld en liefelijkheid in zijn gedichten te lezen.

Als u een dichter zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Midden vorige eeuw, toen tradities verlaten werden. Daar was ik graag bij geweest. Maar deze tijd nu vind ik even fantastisch. Qua andere plek of stad zou ik Rotterdam wel lekker vinden, maar daar kan ik ook in mijn hoofd naartoe. Of als ik een shotje Rotterdam wil, kan ik de trein in, om dat shotje te halen. Andere bouwstijlen, andere kunsten, andere koppen, anders naar buiten lopen vanuit het station. Rotterdam maakt me tougher. In een kroeg na een optreden van Deelder, die er helaas niet meer is natuurlijk, bestel je je biertje op een andere manier. Het zorgt ervoor dat je baalt van het feit dat je vanochtend sneakers hebt aangetrokken, en geen goede puntschoenen.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
Guilty pleasures heb ik niet echt, niet qua lezen in ieder geval. Ik vind het ook best een denigrerende term voor het werk van anderen. Maar geef me het juiste auditiefilmpje van America’s of Germany’s Got Talent en ik kijk het met gemak twintig keer achter elkaar. En de volgende dag weer.

Met welk van uw werken heeft u de diepste band?
Met bijna alle gedichten in Gasthuis wel. Elk van die gedichten bracht me op een bepaalde manier verder. Iets wat eerst alleen op een chaotische manier in mijn kop zat, krijgt via zo’n gedicht een plek buiten mij. ‘Kingsize’, over het wel of niet willen krijgen van een kind. Maar ook het laatste gedicht van de bundel, dat was de plek waarop deze jij eindelijk bestaan kreeg. Als een soort klein monument in de buitenwereld. Sowieso is de aanleiding van alles wat ik schrijf iets persoonlijks in mijn eigen bestaan, of van mensen om me heen. Dit is voor mij ook de enige manier om te kunnen toetsen of iets ‘waar’ is. Gedichten schrijven om de mooiigheid of originaliteit vind ik minder belangrijk. Maar of het waar is wat er staat, dat is voor mij wat telt. De gedichten die dat hebben, nemen direct na het schrijven ook afstand van me, alsof ze willen zeggen: Nu verder met je handen van me af.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik kan wel oké tekenen en ben best ritmisch. Geef me een trommel en ik maak er denk ik wel wat van.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Een goede biografie, bijvoorbeeld die van Vasalis. Een biografie geeft achttienjarigen inzicht over de breedte van het leven. Als je stap voor stap door iemands leven gaat, de keuzes die zijn genomen, de berusting die iemand daar later over voelt, vermindert dat hopelijk de druk om op elk moment in je leven alles perfect te moeten doen. Je leest hoe iemand eerst eindeloos veel verkeerde wegen insloeg, of tussen zijn veertigste en vijftigste helemaal niks uitvoerde om daarna iets goeds neer te zetten, en gaat langs alle dingen die zich kunnen afspelen binnen dezelfde levensspanne. Ik denk dat dat gegeven, zo’n heel leven omschreven, voor een achttienjarige heel waardevol kan zijn.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
Bijna alle klassiekers. Zodra het woord klassieker valt, laat ik het meestal nog even liggen, een puberale neiging. De ontdekking van de hemel? Nooit gelezen. Philip Roth? Niks van in mijn kast. Toen iedereen Pulp Fiction gezien moést hebben, duurde het bij mij nog ongeveer tien jaar. Als er al zo veel door de buitenwereld over gesproken is, neemt dat mijn nieuwsgierigheid vaak weg.

Murakami of Ishiguro?
Moeilijke keuze. Ishiguro. Alhoewel ik van beiden slechts een roman gelezen heb.

Paolo Sorrentino of Wes Anderson?
Sorrentino. Anderson is zó gestileerd dat het vooral gewoon mooi is om naar te kijken. Een filmposter volstaat voor mij dan al. Sorrentino is een en al liefde en heerlijkheid. Zijn films kan ik drie keer zien, dan een jaar niet meer, en dan weer opnieuw.

Tarantino of Scorcese?
Tarantino. Hij kan idioot lange scènes perfect laten kloppen. Hij tilt je over een soort berg van ongemak heen, waarna je ineens vrede hebt met de langgerektheid en zelfs wil dat de scène nooit ophoudt. De scène uit Django Unchained waarin de Ku Klux Klan-leden op hun paard ruziemaken over verkeerd geknipte gaten in hun witte muts is geweldig.

Hockney of Warhol?
Hockney, met hoofdletters. Zijn werk maakt me intens vrolijk. Er zit zo veel plezier in die schilderijen, in zijn wereld, je weet niet waar het ene werk stopt en het andere begint. In de documentaire Hockney hoorde ik over zijn meest innige vriendschap, die met Henry Geldzahler, en de voice-over of persoon aan het woord omschrijft die band als een ‘totaalvriendschap’. Dat vind ik zo’n goed woord. Iemand die zo schildert zoals Hockney moet ook een totaalvriend hebben, dat kan niet anders.

Maartje Wortel of Esther Gerritsen?
Maartje Wortel

Nachoem Wijnberg of Carol Ann Duffy?
Onmogelijke keuze. Kunnen ze niet allebei? Dan toch Wijnberg. Duffy is ook de absolute top, maar er zijn andere dichters die de Duffy-behoefte eventueel zouden kunnen bevredigen. Voor Wijnberg geldt dat niet. Wijnberg is an island on its own, een totaal eigen genre.

Tranströmer of Szymborska?
Szymborska

Michaelis of Vasalis?
Vasalis