21 vragen aan… Maria Barnas

‘Was ik maar goed in bochten nemen’, en meer antwoorden van schrijver en dichter Maria Barnas.

Welk boek ligt er naast uw bed?
The Mars Room van Rachel Kushner, over een Amerikaanse stripper die in de gevangenis belandt. Kushner schetst heel goed hoe klein de kans is dat er iets van je terecht zal komen als je in een sociale klasse zit waar men niets van je verwacht. Het boek is in hoge mate maatschappijkritisch, maar doorleefd, vanuit een personage, waardoor je het zelf meemaakt en zelf conclusies mag trekken. Het deed me denken aan Never Let Me Go van Ishiguro, over een generatie jonge mensen die opgroeit met als enig doel om organen af te staan aan mensen van de hogere klasse. Als lezer denk je continu: ‘Waarom schik je je zo in dat lot dat door anderen voor jou is bedacht?’, maar tegelijkertijd weet je natuurlijk dat je dat zelf ook doet. Wil je je ontrekken aan het systeem, dan moet je dood, helaas. Het boek van Kushner maakt dat ook zo pijnlijk invoelbaar.

Als u iets zou kunnen veranderen aan een van de boeken die u heeft geschreven, wat zou dat zijn?
Juist datgene waar ik me aan erger in een voorgaand werk leidt vaak tot nieuwe inzichten. Ook als ik nooit meer zo zou schrijven kan ik daarom niet zeggen dat ik het anders had willen doen. Om een voorbeeld te geven: mijn eerste bundel, Twee zonnen, is enorm afgewogen, alles moest kloppen. Het gevolg is dat de bundel weinig aan de verbeelding van de lezer overlaat. Bij de bundel daarna, Er staat een stad op, heb ik dingen bewust rafelig gelaten, onaf en uit evenwicht. Daar ben ik een beetje van teruggekomen, nu zoek ik de rafeligheid meer in de taal zelf.

Welk boek van een andere schrijver had u geschreven willen hebben?
Als ik het had gekund: L’ecume des jours van Boris Vian. Het boek speelt zich af in een gefictionaliseerd Amerika. Boris Vian, die de Tweede Wereldoorlog meemaakte, heeft een geïdealiseerd beeld van Amerika, maar ook in dat fictie-land brokkelt alles langzaam af zoals hij dat in Europa heeft zien gebeuren. Er is een kok die de meest exuberante maaltijden bereidt, maar zijn oven begint zichzelf op te koken. De kok probeert er nog wat eten in te proppen, maar het ding krimpt tot er slechts een zwart kooltje overblijft. Zoiets gebeurt ook met huizen: eerst verschuiven ze lichtjes, dan krimpen ze, dan zit de deur niet meer waar ’ie was… Deze beelden zijn metaforen voor hoe het op dat moment ging in Frankrijk, maar tegelijk is het ook een volstrekt geloofwaardige wereld.

Met welk personage zou u willen dineren?
In L’ecume des jours voert Boris Vian een vervormde versie van de door hem gehate Sartre op: Jean-Sol Partre. Net zoals Sartre treedt hij op met zijn lezingen, maar Vian laat hem mottenballen spugen vanaf het podium. Zelf houd ik heel erg van Sartre, maar ik vind de kritiek die Vian op hem heeft ook wel komisch: terwijl Sartre dwars door alles heen gaat bevecht Vian de ellende op de wereld met levenslust en jazz. Ik zou Sartre wel willen spreken over hoe hij over Vian nadenkt. Ze weten beiden dat het leven absurd en zinloos is, maar botsen in hoe ze daarmee omgaan.

Welke van uw tijdgenoten worden over honderd jaar nog steeds gelezen?
Ik ga een lans breken voor Claire Louise Bennett. In haar debuut Pond gebeurt helemaal niets, als in: de plot is volkomen afwezig. Je komt in de wereld terecht van een naamloze vrouw. We weten dus niet eens in wier of wiens hoofd we zitten. Het hele boek is een verkenning van dat hoofd en van een huis waar ze niet uit komt. Ze beschrijft de warmte van pap en de kleur van haar tenen, en tóch is het een boek dat over de wereld gaat, over wat het is om een bewustzijn te hebben. Dat is waanzinnig mooi gedaan.

© Wendy Taylor

Wie is uw favoriete dichter?
Ik heb geen favoriet. Wie ik graag lees zijn onder anderen Anne Carson, Anne Sexton, Wisława Szymborska en Mustafa Stitou. Ik wil ook Simone Atangana Bekono noemen en Radna Fabias, beiden afgelopen jaar gedebuteerd. En Monika Rinck.

Welke schrijver of welk boek vindt u onderschat?
Ik vind het onbegrijpelijk dat iemand als Rogi Wieg niet in het buitenland bekend is. Hij heeft het zijn naasten ook niet makkelijk gemaakt. In aanloop naar zijn zelfgekozen dood – hij heeft vorig jaar euthanasie laten plegen – gedroeg hij zich onmogelijk. Dat is heel onhandig als je gezien wilt worden, maar het doet niets af aan het oeuvre dat hij heeft neergezet. Ik vind hem een van de meest onderzoekende en briljante geesten van de Nederlandse dichterswereld. Grappig ook, en nietsontziend. Hij zou op alle scholen gelezen moeten worden.

Heeft een recensent wel eens iets kritisch geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
In een van mijn bundels beschreef ik de gebeurtenissen van 9/11, hoe ik op tv iemand keer op keer dood zag vallen. Ik dacht dat ik er eindelijk in was geslaagd om aan de actualiteit en globale machtsverhoudingen te raken. Toch merkte Piet Gerbrandy op: ‘Er gebeurt niks in de gedichten van Barnas.’ Dat zette me aan het denken. Ik maak inderdaad mijn denken zichtbaar vanuit een immobiele situatie, namelijk het kijken naar de televisie. Het lyrisch ‘ik’ is in stilstand, terwijl je dat ook kunt laten wandelen, een plek in de wereld kunt laten innemen. Toen ik begon met schrijven heb ik mezelf als een soort waarnemend, lichaamloos iemand neergezet. Inmiddels heeft mijn ‘ik’ voeten gekregen en een lichaam. Maar goed, misschien bedoelde Gerbrandy wel iets heel anders, hè, ik heb het ook maar zo geïnterpreteerd. Dat moet ik hem eigenlijk eens vragen.

Wat is uw guilty pleasure qua lezen?
Het vreselijke is: ik lees werkelijk alles. De categorie guilty pleasures is een bodemloze put. Ik lees graag spannende verhalen, het liefst als ze in Engeland spelen, maar ook kookboeken, tuiniergidsen, de Kampioen, en het wijkkrantje van Amsterdam-Oost: De Echo. In de twintig jaar dat ik ’m lees is De Echo erin geslaagd om iedere week dezelfde krant te publiceren. Nu staat er iets in over de Noord-Zuidlijn. Dat staat er dan volgende week ook in, met een enkel nieuw detail. Er wordt altijd droog haardhout aangeboden, en er is een helderziende die je al twintig jaar kunt bellen.

Met welke van uw eigen boeken heeft u de diepste band?
Het boek waar ik nu aan werk. Ik schrijf over mijn moeder en háár moeder, die uit een mijnwerkersfamilie uit Polen komt. Het gaat over de vraag in hoeverre nationaliteit een constructie is, of fictie. En ik ga in op Poolse dichters. Het is nog maar een klein verhaal, maar het is wat ik moet doen op dit moment. Ik vind het heel bevrijdend dat ik nog niet weet of het een boek wordt. Die vrijheid hoop ik zo lang mogelijk vast te houden.

Heeft u verborgen talenten?
Ik hoorde ooit iemand deze vraag beantwoorden met: ‘Ik kan heel goed bochten nemen.’ Dat moet zo’n goed gevoel geven! Sindsdien denk ik bij elke bocht: was ik maar goed in bochten nemen.

Welk boek zou iedereen op z’n achttiende gelezen moeten hebben?
The Children’s Book
van A.S. Byatt. Ze beschrijft de communes die worden opgericht in Engeland aan het begin van de oprichting van de sociaal-democratie. Aan de hand van het leven van een schrijfster en haar drie kinderen vertelt ze hoe men in die tijd dacht, hoe het besef van solidariteit met elkaar langzaam ontwaakte. Er werd voor veel idealen gevochten: scholing voor iedereen, gelijke rechten voor de vrouw, betaalbare ziekenhuizen. We gaan nu zo slordig om met de erfenis van toen. Haar boek geeft een kader voor in welke tijd we nu leven en tegelijkertijd vouwt het een waaier open van de mogelijkheden van de literatuur.

Wat is het interessantste wat u onlangs van een boek hebt geleerd?
Simone Atangana Bekono heeft me de ogen geopend voor de kracht die in het langere gedicht schuilt. De Nederlandse poëzietraditie schrijft voor dat je zo efficiënt mogelijk omgaat met je woorden. Dat heeft natuurlijk ook zijn kracht, maar Bekono laat zien hoe rijk een wereld kan worden als je die heel zorgvuldig en met een lange adem opbouwt.

Welke schrijver/boek vindt u overschat?
Ik mag zeker niet weer Mulisch zeggen, hè? Bij hem, en ook bijvoorbeeld bij Joost Zwagerman, heb ik het gevoel dat hij verwacht dat alles met de taal valt op te lossen. Ik waardeer juist schrijvers die ervan doordrongen zijn dat de taal zelf ook maar een benadering is van de werkelijkheid. Dat geeft vanzelf een andere houding en ambitie. Dan gaat het om wat er tussen de regels te vertellen valt, en welke positie je hebt als schrijver ten opzichte van wat je maakt.

Albert Camus of Michel Houellebecq? Houellebecq. Nee, Camus. Allebei graag! Camus voor zijn tijd, Houellebecq voor deze tijd. En Camus ook voor deze tijd. En Houellebecq ook in retrospect. Dit kan ik niet, geloof ik.

Anton Tsjechov of Alice Munro? A.M. Homes

Zadie Smith of Joan Didion? Joan Didion

David Hockney of Andy Warhol? Tracey Emin

Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans? Hermans. Of mag ik hier Reve zeggen?

Arnon Grunberg of A.F.Th. van der Heijden? Grunberg

Margaret Atwood of Jeannette Winterson? Jeannette Winterson. Wel een lastige, want Margaret Atwood vind ik ook geniaal. Maar ik overwoog al eerder om Winterson te noemen, dus dit is een mooi compromis.