21 vragen aan… Mark Boog

Roelof ten Napel doet Mark Boog (1970) nadenken over de noodzaak van vorm in gedichten en net als veelvraat Hugo Claus begint Boog altijd eerst met een computerspelletje voordat er geschreven wordt. ‘Ik begin altijd met het uitstellen van het beginnen met werken.’ Daarnaast is Boog naarstig opzoek naar een manier om post-corona de quarantaine voort te zetten. Liefde in tijden van brand verscheen afgelopen december.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste bundel, Liefde in tijden van brand?
Dat gaat uit van de veronderstelling dat schrijven leuk is. Aan de start kreeg ik door dat ik een thema te pakken had. Voor De Gids vulde ik een pagina met poëzie, dat werden de eerste gedichten van deze bundel. Compacte gedichten, zonder witregels. De zin ‘liefde in tijden van brand’ stond er toen al in, en wilde ik verder onderzoeken. Verrassend actueel, omdat we onze levens en liefdes doorleven terwijl buiten de wereld in brand staat. Er staan een boel regels in de bundel die in deze tijden ineens anders klinken. Laat me voor het raam staan./ Laat de wereldbrand mijn gezicht/ warmen. Dat is voor velen vreemd actueel geworden. Het huis voer ik op als eigen plekje in de wereld, met het bed als centrum. We zijn momenteel allemaal een soort binnenhuisacrobaten geworden.

Welke bundel ligt naast uw bed?
In het vlees van Roelof ten Napel, erg boeiende en verrassende poëzie. Het eerste deel is een reeks sonnetten die voortdurend uit de vorm springen en verwrongen raken. Ze gaan vooral over geloven en niet meer geloven, maar op een interessantere manier dan je dat normaal vaak tot je krijgt.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Als men ooit mijn verzameld werk gaat uitbrengen en mijn gedichten corrigeert… ik heb besloten dat dat niet zo’n goed idee is. Ik ben iemand anders dan wie ik was tijdens mijn debuut, twintig jaar geleden. Echte fouten mogen gecorrigeerd, de rest voelt als geschiedvervalsing.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Een specifiek boek kan niet, als ik toch moet kiezen wordt het een type boek. Bij Boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa, misschien wel mijn favoriete boek, denk ik vaak: zoiets wil ik nog eens doen. Niet per se hetzelfde schrijven, maar middels fragmenten een verhaal in elkaar zetten. Het zijn korte beschrijvingen met soms bijna aforistische gedachten over poëzie en de wereld. Fascinerend om te lezen.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Nachoem Wijnberg en Eva Gerlach, al een tijdje. Nieuw werk koop ik meteen, zonder nadenken. Verder bekijk ik het per bundel. Gerlach heeft een heel eigen toon, ik denk dat ik dat belangrijk vind. In ogenschijnlijk alledaagse taal zegt ze ontzettend gruwelijke dingen, vaak ook binnenshuis. In een gedicht van Gerlach gaat het over brood dat in de oven staat met de geur van kinderhals. Verderop in het gedicht komt een broodmes voor. Dat is gruwelijk en heerlijk tegelijk.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Dan kom je op smaak uit. Het komt gelukkig bijna niet voor dat een groot schrijver in werkelijkheid niks voorstelt. Het komt wel geregeld voor dat iets mij niet bereikt, Harry Mulisch bijvoorbeeld. Lucebert, alom aanbeden, lees ik wel en ik vond het mooie gedichten, maar hij raakt mij niet werkelijk.

Welke schrijver of welk boek is het meest onderschat?
Een recente leeservaring met een onderschat schrijver was J.A. dèr Mouw.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht: hij heeft een punt?
Ja, zeker. Zoals je wel eens lovende recensies krijgt die enigszins onzinnig zijn, bestaan er ook negatieve recensies die wel iets te zeggen hebben. De helft van liefde vind ik een minder geslaagde roman. Daar kreeg ik recensies op waarvan ik dacht: dat klopt wel. Arjan Peters noemde het in de Volkskrant een mislukt experiment, dat was ik met hem eens. Aan de andere kant, experimenten kunnen per definitie mislukken.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
Ik las ooit veel sciencefiction-romans, een genre dat velen maar niks vinden. Maar ik voel me daar nauwelijks schuldig over. Buiten lezen om speel ik veel te veel computerspelletjes. De veelvraat Hugo Claus laat zien dat Claus altijd eerst een uur ging zitten patiencen, dan de krant las en dan pas schreef. Volgens mij doet bijna iedereen dat. Ik begin altijd met het uitstellen van het beginnen met werken. Thuiswerkers hebben het nadeel dat je niet fysiek naar kantoor gaat. Die psychologische werkstemming moet op een andere manier komen, daar ontwikkelt ieder zijn rituelen voor. Ik surf wat op internet, doe een spelletje, en dan ben ik in die toestand.

Met welk van uw werk heeft u de diepste band?
Net als de meesten, denk ik, met mijn laatste werk. Breder genomen heb ik een betere band met mijn poëzie dan met mijn proza. Ik kan gerust een half jaar geen proza schrijven, daar word ik niet ongelukkig van. Maar poëzie komt altijd, en raakt ook meer. Romans lees ik met bewondering, maar op gedichten kan ik heel lang blijven kauwen. Dat is een diepere ervaring.

Op welk gedicht heeft u heel lang moeten kauwen voor u het begreep?
Als het goed is kom je daar net niet helemaal, bij het begrijpen. Werk van Paul Celan is soms best pittig, maar daar blijf ik naar terugkeren. Kees Ouwens is af en toe ronduit onbegrijpelijk, maar blijft prachtig. Het is vergelijkbaar met liedjes, in een andere levensfase verandert de betekenis. Dat is het grootste verschil met proza, het ontbreken van een verhaallijn met een plot en hoofdpersonen geeft meer vrijheid aan de lezer.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
Ik geniet juist erg van mijn quarantaine. Naar Parijs gaan mag nu natuurlijk niet, en ik hoop dat ik tegen 2021 een manier heb gevonden om de quarantaine voor mezelf voort te zetten. De kans een personage uit de wereldliteratuur uit te nodigen voor een diner laat ik aan mij voorbij gaan, ik lees er liever over. Ik ben bang als ik zo’n personage live te spreken krijg, het net zo’n gebrabbel uitstoot als alle andere mensen, inclusief ikzelf.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Het verzameld werk van Franz Kafka, een van het weinige proza waar ik naar blijf terugkeren en dat mij zelf ooit de volwassenenliteratuur in heeft gekatapulteerd. Het was een schok toen ik dat op mijn zestiende in handen kreeg. Ik was betoverd door de mogelijkheden, de absurditeiten en de quasi plotloze stukken. Het begon met het beroemde verhaal, De gedaanteverwisseling, waarin de hoofdpersoon wakker wordt en in een tor veranderd is. Bij Kafka begrijp je niet alles, maar kan je het hebben, een waardevol inzicht voor jongeren. Niets begrijpen is grote ellende, alles begrijpen maakt dat lezen tijdverdrijf wordt.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een bundel geleerd heeft?
Roelof ten Napel doet me nadenken over de noodzaak van vorm in gedichten. Er moet altijd vorm zijn, dat wordt door Ten Napel bevestigd. Tegenwoordig is er een tendens van volstrekt vormeloze poëzie, daarbij verslapt mijn aandacht vaak. Als je van rijm, melodie en ritme afziet kom je gevaarlijk dicht bij proza. Ten Napels’ verwrongen sonnetten houden zich hier niet aan.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen? /welke filmklassieker nooit gezien?
Proust ben ik nog niet aan begonnen, ik vrees er niks aan te vinden. Ooit ga ik eraan beginnen, maar ik sluit niet uit het dan bij een boek te laten. Films kijk ik bijna niet, veel te lang. Als kind vond ik het ook niet fijn voorgelezen te worden omdat ik dan de controle over het tempo verloor. Datzelfde geldt voor films. Vertragen, voortgaan, ik wil het zelf doen.

Proust of Joyce?
Nu ligt Joyce voor de hand, maar door Ulysses kwam ik echt niet heen. Niet omdat ik het niet snapte, maar omdat ik mij verschrikkelijk ergerde.

Camus of Houellebecq?
Camus, en niet alleen omdat hij nu actueel is geworden. De vreemdeling raakte me al toen ik jong was.

Maartje Wortel of Esther Gerritsen?
Beiden hebben veel gevoel voor absurditeit en humor. Met het mes op de borst zou ik voor Esther Gerritsen kiezen.

Lucebert of Kees Ouwens?
Kees Ouwens is een van mijn zeer favorieten.

H.H. ter Balkt of Hans Faverey?
Met Ouwens staan ze beiden in mijn top drie. Van beiden zeg ik weleens dat het mijn favoriet is. Daar moet je het mee doen.

Ellen Deckwitz of Ester Naomi Perquin?
Meestal zou ik Ester antwoorden, maar Ellens laatste bundel Hogere natuurkunde is erg goed. Het eindantwoord: twijfel.