21 vragen aan… Maxim Februari

Schrijver en columnist Maxim Februari neemt vandaag de P.C. Hooft-prijs voor beschouwend proza in ontvangst. Enige tijd geleden, kort na het verschijnen van zijn laatste bundel De onbetrouwbare verteller, beantwoordde hij eenentwintig vragen over lezen en schrijven.

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwe boek?
Het is een bundel, dus ik zat tussen stapels uitgedraaide teksten. Het deftige antwoord is dat het leuk was om te zien dat er een programmatisch boek van te maken viel. Dat er een lijn inzat. Er is ook een gênant antwoord op de vraag en dat is dat ik een paar keer erg om mezelf heb moeten lachen.

Welk boek ligt er naast uw bed?
Ik lees niet in bed. Misschien zou ik dat eens moeten doen. Maar hier op het tafeltje ligt een boek van Leon Wieseltier, Kaddish. Ik heb het net aangeschaft omdat ik heel graag wil beginnen aan een nieuwe roman. Ik weet wat het onderwerp zal worden. De stof, de materie, die ken ik. Maar het is iets waar ik weinig van afweet. En Kaddish gaat precies over de manier waarop je onderzoek doet naar iets waar je nog geen verstand van hebt. Wieseltiers vader gaat dood en hij moet een rouwgebed uitspreken. Hij kent het wel maar hij wil de achtergrond ervan uitzoeken. Als schrijver denk je dan: het is goed om erover te lezen en te schrijven, dat is nu eenmaal hoe ik me tot de wereld verhoud. Maar hoe organiseer je dat proces? Hoe kom je van het een naar het ander? Ik schrijf over een compleet ander onderwerp, maar het is grappig om iemand naast je te hebben die hetzelfde doormaakt.

Als u iets kon veranderen aan wat u heeft geschreven, wat zou dat dan zijn?
Niet heel veel. Je schrijft natuurlijk het volgende boek omdat het vorige mislukt was. De dingen waar ik spijt van had waren altijd tot stand gekomen op last van anderen. Mijn debuut kreeg bijvoorbeeld een andere titel. De zonen van het uitzicht heette eigenlijk De vorm van een gemis. De uitgeverij zei kritisch: zo zou ieder boek kunnen heten. Dat is zo, maar toch was het een betere titel. En daarbovenop heb ik er altijd spijt van gehad dat ik op bevel van een krantenredactie mijn voornaam ben gaan gebruiken in plaats van alleen M. Februari. In allebei de gevallen dus een buitenkant.

© ANP / Henriette Guest

Welk boek geschreven door een ander had u zelf graag geschreven hebben?
Fred Allen zei: waarom zou je een boek schrijven als je er voor een paar dollar eentje kunt kopen? Het antwoord luidt dat je het schrijft omdat je het zelf geschreven wilt hebben: je kunt nooit het boek van een ander schrijven zonder die ander te zijn. En dat is dus de interessantere vraag, zou je iemand anders willen zijn? En wie dan?

Op wiens geest kunt u dan jaloers zijn?
Het antwoord op die vraag is altijd hetzelfde: Saul Bellow.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog gelezen?
Ik denk dat mensen over honderd jaar niet meer lezen.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Het eerste waar ik aan denk is een scène uit Baumgartner’s Bombay van Anita Desai. Baumgartner is vanuit nazi-Duitsland in India terechtgekomen en leidt daar een niet helemaal geslaagd migrantenbestaan in de marge. Het is petite histoire tegen de achtergrond van de grande histoire. Hij maakt een enorme ommezwaai maar leidt toch een leven van niets, dat wordt erg mooi beschreven. Hij wordt uiteindelijk vermoord. Maar ook op zo’n scharrelige manier: eigenlijk gebeurt er helemaal niets, behalve dat hij wordt vermoord. Het is zo knap gedaan, zo ontzettend aangrijpend.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Ik las ooit veel poëzie maar ik ben daarin wat lui geworden. Maar traditioneel alles wat heel helder is. Nijhoff, Rilke, Szymborska. Gottfried Benn, ook.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Alle beroemde schrijvers zijn overschat. Maar in Nederland is dat idee van ‘de grote drie’ heel erg schadelijk geweest voor de literaire cultuur. Dat is een rare overschatting geweest, maar ook een onderschatting van het publiek.

Als u een schrijver kon zijn waar en wanneer dan ook, waar en wanneer zou u dat dan zijn?
Leven in een tijd waarin de roman wat meer gezag had was wel interessant geweest. En dan het liefst ook in een groter taalgebied dan het Nederlandse. In Frankrijk wordt wat minder neergekeken op intellectualiteit. En iedere schrijver had wel in een Angelsaksische omgeving willen debuteren. Maar dit is een lastige tijd voor de roman. De vraag is nu: wat wil je ermee? Waarom schrijf je hem nog, zo tegen de bierkaai? De roman is zo interessant vanwege de vrijheid en de ruimte die hij biedt aan complexiteit. Maar zijn er ook andere vormen die die ruimte bieden?

Heeft u qua lezen guilty pleasures?
Ik heb überhaupt geen schuldgevoelens over plezier, geloof ik.

Heeft een recensent ooit iets kritisch geschreven waarvan u dacht: hij of zij heeft een punt?
Ik hoorde ooit op de radio twee schrijvers spreken over een bundel columns van me. Een van hen zei dat ik altijd zo weinig betrokken ben bij de samenleving omdat ik die te geamuseerd bekijk. Dat lichte duidde op een gebrek aan ernst, maar vooral ook op een gebrek aan betrokkenheid. Dat is al jaren geleden, maar daar denk ik nog steeds over na.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Dat is wel een groot probleem, ik kan eigenlijk helemaal niks.

Er staat een tafeltje naast de Seine klaar. Met een roodwit geblokt laken en twee wijnglazen. Obers in jacquet. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen, en waar zouden jullie het over hebben?
Ik ben sociaal niet zo handig dus dat uitnodigen is al een heikel punt. Er is een meisje uit een boek van Agatha Christie dat ik altijd wel leuk heb gevonden, maar ik weet niet meer welk boek. Maar stel je de vraag anders en vraag je met welk personage ik verwantschap voel, dan is dat Zeno uit Het hermetisch zwart van Yourcenar. Hij is ook op dezelfde dag jarig als ik, geloof ik. Dat is wel iemand met dezelfde soort levensvibraties. Maar het zou waarschijnlijk ontzettend saai worden.

Wat is het interessantste wat u onlangs van een boek heeft geleerd?
Een vriendin gaf me een boek van Svevo, met de nogal non-descripte titel Korte romaneske reis, omdat ik al tijden zeur dat ik naar Triëst wil. Hij gaat van Triëst terug naar Milaan en laat zijn vrouw achter, want hij reist graag vooruit. Hij heeft er heel veel zin in om zonder zijn vrouw op stap te gaan en zij is ook best blij dat ze even alleen kan zijn. Maar dat kunnen ze natuurlijk niet aan elkaar bekennen. Dus moeten ze in voorbereiding op het afscheid doen alsof ze het verschrikkelijk vinden elkaar te moeten missen. Als hij op het station staat komt ze nog met iets achter hem aan rennen, en dan is hij bang dat ze alsnog meegaat. Svevo kan in zo’n passage ontzettend beleefd gemeen zijn. Die zelfstrijd is enorm bij me blijven hangen. Die wens dat je partner even verdwijnt zonder dat je dat aan jezelf kunt toegeven. De ingewikkeldheid van die emoties en het feit dat iedereen daarmee rondloopt. En als je alleen maar van buitenaf registreert wat de uiteindelijke keuze is geweest dan ben je die hele interne zelfstrijd kwijt. Is dat iets wat ik geleerd heb?

Hemingway of Fitzgerald?
Ik hik heel erg aan tegen deze keuzes… (stilte). Fitzgerald, omdat … nou ja.

Proust of Joyce?
(Stilte) Joyce.

Camus of Houellebecq
(Stilte) Nee, dat kan ik niet beantwoorden. Ik heb te weinig Camus gelezen.

Tolstoj of Dostojevski?
Ja … Het is net als met Camus en Houellebecq. Mensen verwachten denk ik Camus, terwijl ik geneigd ben Houellebecq te zeggen. (Stilte) Dostojevski. Maar Tolstoj ken ik niet zo heel goed.

Murakami of Ishiguro?
Allebei niet.

Paolo Sorrentino of Wes Anderson?
Ook geen flauw idee.

Tsjechov of Munro?
Geen flauw idee. Kijk … ik heb Munro gelezen maar ik vind er gewoon niet zo veel van. En Tsjechov heb ik voornamelijk gezien en niet gelezen.

Maar heeft hij u op die momenten meer geraakt dan Alice Munro?
Ja.

Dan zou u op die vraag in theorie ‘Tsjechov’ kunnen antwoorden.
Als je het zo zegt… ja.

Austen of Woolf?
Allebei.