21 vragen aan… Oek de Jong

‘In Nederland hebben we de neiging onze eigen schrijvers te onderschatten en schrijvers uit het buitenland te overschatten’, zegt Oek de Jong.

© C. Hovel tot Westervlier

Wat was het leukste moment bij het schrijven van Zwarte schuur?
Toen ik het personage Ilse bedacht, een aan heroïne verslaafde jonge vrouw. Ik zag haar meteen voor me: met haar lange dunne benen, haar vuile Afghaanse jas, haar hese, te luide stem en in haar armen een hondje. Ik schreef in één ruk de ontmoeting tussen haar en Maris Coppoolse, de hoofdpersoon, op een tankstation bij Parijs.

Wie van uw tijdgenoten wordt over 100 jaar nog steeds gelezen?
Als het gaat om hedendaagse schrijvers vind ik dat moeilijk te zeggen, dat is te dichtbij. Maar ik denk dat A.F.Th. van der Heijden met zijn cyclus De tandeloze tijd een goede kans maakt. Gewassen vlees en Publieke werken van Rosenboom kunnen ook lang mee. Maar de vraag is of men over honderd jaar nog in staat is om dergelijke literaire romans te lezen.

Met welk van uw boeken heeft u de sterkste band?
Met Zwarte schuur. De personages zijn zulke levende figuren voor mij geworden. Ze zijn nog zo sterk aanwezig. En verder Pier en oceaan, dat dichtbij me staat omdat ik er veel familiegeschiedenis in heb verwerkt en er mijn herkomst mee heb gemythologiseerd.

Wanneer werd u verliefd op de literatuur?
Ik denk door het lezen van het werk van Paul van Ostaijen. Van het weinige geld dat ik had kocht ik als vijftienjarige voor zestien gulden vijftig per deel in twee banden zijn verzamelde gedichten. Ik was er zo enthousiast over dat ik de boeken leende aan in mijn ogen de slimste jongen van de klas. De week erop gaf hij ze terug. Hij was een echte bèta, maar de wiskunde van Bezette stad begreep hij niet. Mijn liefde voor Van Ostaijen is nooit meer overgegaan. Het is een tijdloos oeuvre terwijl het toch ook zo getekend is door de tijd waarin het is ontstaan.

Er staat een tafeltje klaar langs de Seine, met twee kaarsen op een rood geblokt kleed. Obers in jacquet staan klaar. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u uitnodigen voor een diner à deux?
Ik denk eerst aan Odette de Crécy of Anna Karenina, mondaine vrouwen. Hoewel, eigenlijk is het veel interessanter om een ontmoeting te hebben met een personage als Odysseus, iemand uit een zeer ver verleden. Hem zou ik het hemd van het lijf vragen over het leven in het archaïsche Griekenland. Ik weet al wat hij gaat bestellen: schapenvlees en rode wijn, aangelengd met water en honing. Hij zou zich verbazen over de kleine portie vlees op zijn bord.

Heeft een recensent ooit iets kritisch over u geschreven waarvan u dacht hij/zij heeft een punt?
Niet dat ik mij herinner. Een aantal jaren geleden is er een boek met essays over mijn werk verschenen: Terug naar een naaktheid. Die essays zijn erudiet en diepgaand en hebben me meer inzicht gegeven in mijn eigen werk. Ik ben me daardoor scherper bewust geworden van patronen en thema’s in mijn romans. Maar als ik schrijf, vergeet ik dat allemaal ook weer.

Welk boek ligt naast uw bed?
De pijn van Marguerite Duras. Literature and Evil van Bataille. Het boek van Rutger Bregman. Maar ik lees momenteel nauwelijks, want heb het te druk met de promotie van Zwarte schuur.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
Dispatches / Verslagen uit Vietnam (1977) van Michael Herr. Als correspondent voor het Amerikaanse blad Esquire versloeg hij de oorlog in Vietnam, ook al was hij pas zevenentwintig. Hij zat aan het front. Uit zijn reportages voor Esquire is dit boek ontstaan. Het is hard, maar ook goed om jong geconfronteerd te worden met de realiteit van oorlog, met het ultieme kwaad. Je leert meteen heel veel over de menselijke aard. Jonge mensen worden er in het nieuws en door games wel mee geconfronteerd, maar het blijft op afstand. Michael Herr zet je er middenin, onontkoombaar. Zijn verhaal dringt nog veel dieper in je door dan de beelden van Apocalypse Now.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
Ik voel geen schaamte als ik een bepaalde klassieker niet heb gelezen. Waarschijnlijk omdat ik er inmiddels heel wat achter de kiezen heb. Ik zou graag nog eens in een lange hete zomer alle 91 voltooide romans en novelles van La Comédie humaine van Balzac lezen.

Wat is het interessantste dat u onlangs van een boek geleerd heeft? 
Uit de recente Napoleon-biografie van Adam Zamoyski leerde ik hoe Napoleon ten onder ging aan bepaalde karaktertrekken, waaronder zijn minderwaardigheidsgevoel. Uit alles blijkt dat hij een grote geest was, niet alleen een geniale generaal, maar ook een briljant organisator en wetgever die Frankrijk in korte tijd volledig moderniseerde. Zijn fatale vergissing was dat hij dacht zijn macht in Frankrijk alleen te kunnen legitimeren door het behalen van militaire overwinningen. Hij kon niet ophouden met vechten.

Welke schrijver(s) is/zijn naar uw idee onderschat?
Maria Dermoût. Zij debuteerde laat, schreef een klein oeuvre en was bescheiden. Daardoor kreeg ze geen grote bekendheid, maar haar werk heeft internationale allure. Ook Etty Hillesum, die ten onrechte alleen maar wordt gerekend tot de shoah-literatuur. Zij is een generatiegenoot van Reve en Hermans, maar als je haar dagboeken en brieven naast hun vroege werk legt, dan denk ik dat haar duizend bladzijden langer meegaan. Ten slotte Vincent van Gogh. Ik lees zijn brieven als een kolossale negentiende-eeuwse roman met een onvergetelijke hoofdpersoon. Zijn brieven zouden ingelijfd moeten worden in de literaire canon.

Zijn er ook schrijvers die overschat worden?
In Nederland hebben we de neiging onze eigen schrijvers te onderschatten en schrijvers uit het buitenland te overschatten. Ik denk dat Murakami en Houellebecq te hoog worden aangeslagen. Wat mij betreft zijn dat alleen al in stilistisch opzicht onaantrekkelijke schrijvers.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Ik zou het liefst een Amerikaanse schrijver willen zijn anno nu. Geboren in 1952 in New York, liever niet in bijvoorbeeld de Midwest, hoewel dat voor een schrijver vast ook uitstekend materiaal oplevert. Als Nederlandse schrijver zit je opgesloten in een klein en onbelangrijk taalgebied. Je wordt wel vertaald, maar internationaal doorbreken is vrijwel onmogelijk.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Op mijn vijftiende vatte ik het idee op om te gaan schrijven, op mijn achttiende kwam ik in Amsterdam wonen en begon ik te schrijven, op mijn tweeëntwintigste had ik mijn eerste verhaal in een literair tijdschrift en op mijn vierentwintigste publiceerde ik mijn eerste boek. Ik heb nooit iets anders gewild dan schrijven.

Wie zijn uw favoriete dichters?
In Nederland volg ik Martin Reints, Willem Jan Otten, K. Michel, Elly de Waard en Jacob Groot, dichters die ik persoonlijk ken. Ik heb ook alle bundels van Hans Faverey, Kees Ouwens en Menno Wigman. Verder lees en herlees ik dichters als Baudelaire en Tomas Tranströmer, Dante en Horatius.

Jean-Michel Basquiat of Nan Goldin? Nan Goldin. Zij komt trouwens even langs in Zwarte schuur. Maris kent haar in zijn New Yorkse tijd.

Proust of Joyce? Dat is heel lastig, maar dan kies ik toch Proust. Hoewel Leopold Bloom mijn meest geliefde personage is en je hem veel beter leert kennen dan Marcel. Prousts Verloren tijd lijkt mij veelomvattender dan Ulysses.

Rembrandt of Velázquez? Zonder meer Rembrandt. Vanwege zijn blik op mensen en de menselijke conditie en zijn tekeningen van het landschap rond Amsterdam.

Fellini of Visconti? Fellini, mijn eerste grote liefde in film.

Tolstoj of Dostojevski? Ook lastig, want Misdaad en straf behoort tot mijn favoriete romans en Raskolnikov heeft me geïnspireerd bij het schrijven van Zwarte schuur. Maar ik kies toch Tolstoj, de meesterstilist.

Whitman of Dickinson? Dickinson. Eén kwatrijn van haar zegt me vaak meer dan een hele lap Whitman.