21 vragen aan… Peter Terrin

In zijn negende roman Al het blauw toont Peter Terrin (52) hoe kwetsbaar de zoektocht naar een eigen identiteit kan zijn. Het is een gevoel dat de schrijver maar al te goed kent. ‘Ik was vroeger een man van twaalf stielen en dertien ongelukken. Het heeft lang geduurd voordat ik besefte dat ik schrijver wilde worden.’

Wat was het leukste moment tijdens het schrijven van uw nieuwste roman?
Enerzijds is dat wanneer je de ingang vindt voor je verhaal, want een idee an sich is nooit genoeg. Zo’n moment is allesbepalend voor het verdere verloop. Bij Al het blauw zag ik plots het beeld van een verlaten industrieterrein waar een persoon op de grond ligt, maar we staan te ver om te weten wat er eigenlijk aan de hand is. Anderzijds geniet ik van het moment waarop je beseft dat het boek echt bestaat. Je hebt het schip in beweging gekregen en je zit ongeveer driekwart in het boek. Het enige wat je nog moet doen is dat schip rustig richting zijn doel laten varen. Het werkt zichzelf wel af.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Ik zou mij het liefst niet te veel willen bemoeien met het verleden en zijn imperfecties. Mocht ik kiezen, dan zou ik mijn eerste twee boeken niet publiceren en debuteren met Blanco. Dat is het eerste boek waarin ik mijn stem heb gevonden.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Yucca en Post Mortem. Ze vertonen de duidelijkste raakvlakken met mijn persoonlijk leven en gaan voor een stuk over mijn dochter. Maar ook het lelijke eendje, of het zwarte schaap in mijn oeuvre, Vrouwen en kinderen eerst, heeft een plek in mijn hart. Dat boek heeft mijn liefde harder nodig, omdat het niet dezelfde aandacht kreeg als mijn andere werk. Ik geloof zelfs stilaan dat het een over het hoofd gezien meesterwerk moet zijn.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik was vroeger een man van twaalf stielen en dertien ongelukken. Om tot het besef te komen dat ik wil schrijven heb ik een heel lange weg afgelegd. Mocht ik geen schrijver zijn, dan zou ik toen ik de keuze had een andere studierichting gekozen hebben en werd ik waarschijnlijk een wetenschapper – een celbioloog bijvoorbeeld, een onderzoeker in elk geval. Sinds een jaar of vijf heb ik de fotografie ontdekt. Ik ben onder meer fan van Robert Adams, een Amerikaanse landschapsfotograaf. Ik kom helemaal tot rust als ik naar zijn werk kijk. Hij is typisch een fotograaf voor wie niet het onderwerp maar de foto van dat onderwerp bijzonder moet zijn. Een beetje hoe ik ook over mijn boeken denk.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
Remainder van Tom McCarthy is er zo eentje. Ik dacht: ‘Dit kon mijn idee zijn geweest!’ Het boek gaat over een man die na een ongeval aan geheugenverlies lijdt en één resterende herinnering heeft: terwijl hij in een toilet plast, merkt hij een barst in het plafond op. Hij denkt hierover na, en die herinnering groeit. Het fortuin dat hij van de verzekeringmaatschappij krijgt, besteedt hij aan het nabouwen van die herinnering. Op die manier creëert hij een duplicaat van zijn leven.

Welk boek ligt naast uw bed?
Ik kijk enorm uit naar Jon McGregors Lean Fall Stand, maar momenteel lees ik korte verhalen van de Duitse schrijver Judith Hermann. Ik heb haar ontdekt door de onlangs verschenen vertaling van haar boek Lettipark. Ik ben helemaal in de ban van haar schrijfstijl. Die is los, tastend en omcirkelend, maar zeer doeltreffend. De nieuwste van Jonathan Coe, Meneer Wilder en ik, ligt ook op mijn nachtkast.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Eind vorig jaar verloor ik een vriend, Koenraad Goudeseune. Ik kende hem van mijn tijd in Gent. Koenraad was een heel dwarse figuur. Zijn dichtbundels liggen nu overal verspreid in mijn huis. Soms grijp ik terug naar zijn werk en herlees ik zijn gedichten – om hem in leven te houden.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Moeilijk te voorspellen. Uitgevers weten ook niet welk boek succes zal hebben. Dat is net de redding van veel schrijvers. Op diezelfde manier verandert de betekenis of het belang van bepaalde boeken doorheen de tijd. Mijn De bewaker uit 2009 is nu in het Italiaans vertaald en wordt als hét pandemieboek ontvangen. Blanco verschijnt binnenkort in het Frans en in het Duits, en wordt als een lockdownboek beschouwd. Sommige verhalen hebben het in zich om vele levens te leiden, levens die je niet op voorhand kunt voorspellen.

Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat?
Mijn moeder zou zeggen dat ik geen namen mag noemen, maar er worden wel wat schrijvers overschat. We leven in een gemediatiseerde tijd en die overschatting is snel gebeurd. Ik begrijp hoe het werkt, maar soms denk ik: ‘Waarom niet even wachten en dat boek over een jaartje lezen?’ Mensen laten zich graag verblinden.

Wat is de beste sterfscène in een roman?
Ik denk onmiddellijk aan Stoner van John Williams. De sterfscène van William Stoner, de protagonist, is echt onvergetelijk. Doorheen de hele roman ervaar je zijn eenzaamheid in zijn familie, op het werk, in zijn huwelijk. Zijn eenzame dood is zo subtiel en stil zoals het hele boek, maar daarom net een krachtige verderzetting van Williams leven.

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
In literatuur heb ik niet echt guilty pleasures, omdat ik heel gericht lees. Zomaar in het wilde weg lezen maakt je niet echt gelukkig. Ik hou wel van ouderwetse Engelse misdaadseries die eigenlijk bedoeld zijn voor een meer bedaagd publiek. Ik heb heel lang bijzonder graag naar Midsomer Murders gekeken. Die serie had iets troostends. De moorden waren beschaafd, niet brutaal: ze werden gecombineerd met een streepje Bach, middeleeuwse kerkjes en mooie klassieke interieurs en auto’s. De verdachten werkten mee en er was een elegante redenering waarom de vermoorde moest sterven. De mensheid leek niet werkelijk gedoemd.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een wit laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen? En waar zouden jullie het over hebben?
Isserley uit het boek Under the skin van Michel Faber, en dan het liefst in de gedaante van Scarlett Johansson. Zij speelt de hoofdrol in de verfilming van Jonathan Glazer. Het verhaal gaat over een mysterieuze vrouw die mannen in het noorden van Schotland verleidt en lokt. Misschien is een tafeltje aan een Schotse rivier een betere setting. Isserley is een heel interessant personage. Ze is een eenzaam buitenaards wezen dat verminkt is tot een menselijke gedaante en op het platteland rondrijdt om mannelijke lifters op te pikken die ze dan verdooft en naar een boerderij brengt waar ze tot voedsel worden verwerkt voor de bewoners van haar planeet. Ik zou heel graag willen weten waar ze vandaan komt, hoe de toekomst eruitziet.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, net omdat ik dat boek zelf niet heb gelezen toen ik jong was. Nu durf ik er ook niet meer aan te beginnen, eerlijk gezegd. Ik ben bang dat het me niet meer zo diep zou raken door mijn leeftijd.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
A la recherche du temps perdu van Proust.

En welke filmklassieker nooit gezien?
Citizen Kane van Orson Welles. Telkens in slaap gevallen…

Hemingway of Fitzgerald?
Hemingway, al heb ik het niet zo met machogedrag, whisky drinken of stierengevechten. Als schrijver heeft hij mij stilistisch veel bijgeleerd: meer showing, minder telling. Ik heb vertrouwen in mijn lezers, niet alles moet door mij uitgelegd worden.

Stanley Kubrick of Andrej Tarkovski?
Verschrikkelijke keuze. De fotograaf in mij kiest misschien eerder voor Kubrick, maar de schrijver in mij gaat resoluut voor Tarkovski. Zijn filmtaal is magisch en hoe hij de kijker dwingt om zich helemaal over te geven: dat lukt alleen op een filmscherm. Vooral Stalker heeft mij geïmponeerd.

Hockney of Warhol?
Hockney

Tolstoj of Dostojevski?
Dostojevski. Door de De donkere kamer van Damokles van Hermans heb ik als jonge twintiger literatuur ontdekt en beseft dat ik schrijver wou worden. Ik ben als een gek gaan lezen. Dostojevski was een van de eersten die een verpletterende indruk op me maakte.

Graham Greene of George Orwell?
Heel moeilijk. Vandaag ga ik voor Greene, maar morgen misschien voor Orwell.

The Cure of The Smiths?
Ik vind het straf dat The Cure het nog steeds zo goed doet, live. Maar als ik echt moet kiezen, ga ik voor The Smiths. Zelf heb ik een tijdje in Engeland gewoond en The Smiths hebben als geen andere band dat typische Engelse gevoel zo goed weten te vatten in hun muziek.