21 vragen aan… Roelof ten Napel

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn? Ik ben heel erg goed in het nadoen van een schaap.’ 21 vragen aan C. Buddingh’-genomineerde Roelof ten Napel.

Welk boek ligt naast uw bed?
Homo Sacer van Giorgio Agamben. Met veel stilistische bravoure geschreven maar daardoor ook gevaarlijk, want je gaat sneller mee in zijn argument.

Als u iets zou kunnen veranderen aan wat u heeft geschreven door de jaren heen, wat zou dat zijn?
Ik denk dat ik het nog een keer zou checken op spelfouten. Er was een recensie van Piet Gerbrandy waarin stond dat Het woedeboek er meerdere bevatte. Daar ga je wel van twijfelen. Ik vond er één, verstopt in een over drie regels uitgespreide gebiedende wijs. Over die fout hebben zeker vijf mensen heen gelezen. En je ziet hem pas wanneer een recensent zegt dat er iets niet klopt. Misschien dat ieder boek er dus goed aan doet dat iemand, aan het eind van het proces, zegt dat er fouten in zitten, maar niet welke. Ik denk dat het je scherp houdt.

Welk boek, geschreven door iemand anders, zou u zelf geschreven willen hebben?
De vraag is misschien: van welk boek vermoed ik dat het schrijfproces interessant geweest is? Ik denk Autoportrait van Édouard Levé, waarin hij de autobiografie op de spits drijft. Iedere zin is een ik-zin. ‘Ik houd van aardbeien’, ‘ik heb mijn vader nooit verteld dat ik van hem houd’. En als je het uit hebt, valt je bij andere autobiografieën op hoe gestileerd ze zijn. Natuurlijk, Autoportrait is ook gestileerd, maar omdat het zo monomaan gebruik maakt van één procedé leer je veel over iemand en snap je tegelijkertijd hoe arbitrair de helft ervan is.
Hij benadert het boek als object heel anders dan ik tot nu toe deed. Door in een boek een bepaalde structuur te hanteren, hoofdstukken bijvoorbeeld, hanteer je die ook tijdens het schrijven. Hij schrijft honderd kantjes door, één grote lap. Ik kan me niet voorstellen hoe je dat volhoudt.

Wie van uw tijdgenoten wordt over honderd jaar nog steeds gelezen?
Daniël Vis. Insect redux is de dichtbundel waarvan ik het zekerst weet dat het iets belangrijks zegt over nu. Over een tijd waarin Nederland zowat volledig geseculariseerd is, waarin atheïsme vanzelfsprekend is, maar men er geen inhoudelijke betekenis voor heeft gevonden. En waarin heel veel mensen nog een christelijke gedragsstructuur aanhouden, maar tegelijkertijd aangeven atheïst te zijn en in de wetenschap te geloven — maar geloof in de wetenschap betekent niets. Daniëls bundel zegt wat mij betreft: ‘Als je gelooft in de wetenschap, hypermaterialistisch bent, dan ziet je wereld er ongeveer zo uit.’ Dan is je enige zelfbewustzijn psychotisch, omdat het wetenschappelijk niets betekent om een zelf te zijn. De leeservaring van Insect redux is naar genoeg om je te doen beseffen dat de wereld wellicht anders in elkaar steekt. Oké, zoiets.

Wie zijn uw favoriete dichters?
Anne Carson, Paul Celan en Edmond Jabès. Alle drie zijn technisch begaafd, maar laten zich niet door die gave leiden. Het gaat altijd nog ergens over.

Als u een schrijver zou kunnen zijn waar of wanneer dan ook, waar en wanneer zou dat zijn?
Nu is goed, deze tijd intrigeert me genoeg. Maar stel dat we over tweehonderd jaar nog leven, dan zou ik ook wel willen schrijven over nu. Misschien een historische roman over alle mensen die ontkennen dat de problemen heel erg groot zijn. Hoe is het mogelijk dat we zo geparalyseerd zijn wat betreft het klimaat en de huidige vorm van de media?

Wat is qua lezen uw ‘guilty pleasure’? En daarbuiten?
Ik heb een lastige verhouding tot de bijbel. Ik lees hem aan de ene kant graag, het is intrigerend, en oud. Er staan gruwelijke passages in die op een Game of Thrones-achtige manier moddervet zijn. En er zit ook waarde in voor mezelf, want ik ben ermee opgevoed. Maar tegelijkertijd kan ik me schuldig voelen over het feit dat ik het niet los kan laten. Natuurlijk is het de vraag of dat mogelijk is, want ik kan niet doen alsof mijn jeugd niet heeft bestaan. Maar af en toe verlang ik dat die geschiedenis niet bestaan had, dat ik me er niet toe had hoeven verhouden.

Met welk van uw boeken heeft u de diepste band?
Het schrijfproces van Het leven zelf overkwam me in zo’n mate dat ik toen het af was besefte dat ik dat lange tijd niet opnieuw zou hebben, dat andere boeken geschreven zouden moeten worden met meer discipline.

Heeft u verborgen talenten? Als u geen schrijver zou zijn, wat zou u dan zijn?
Ik ben heel erg goed in het nadoen van een schaap. Echt uncanny. Maar ik wil het niet kapitaliseren, het is te mooi nu.

Er staat een tafeltje langs de Seine klaar, met een roodgeblokt laken, twee wijnglazen, een kaars. Obers in jacquet staan paraat. a) Welk personage uit de wereldliteratuur zou u voor een diner uitnodigen?
De jongste zoon uit De honden jagen niet meer van A. Alberts. Hij heeft in het boek geen naam, dat helpt, de meeste grote personages uit de wereldliteratuur hebben een te groot karakter om buiten het boek mee om te kunnen gaan. Die kunnen alleen zichzelf zijn.
b) Waar zouden jullie het over hebben?
Het boek beschrijft hoe een bepaalde vorm van scheepvaart verdwijnt uit de maatschappij. Zijn vader vaart steeds zes maanden en is dan twee maanden thuis. En zijn zoons bouwen op de scheepvaartschool aan een vergelijkbaar leven voor zichzelf. Wanneer de jongste ervoor kiest niet naar het internaat te gaan, maar thuis te blijven wonen, is dat zo’n verstild moment in het boek. Hij lijkt op een heel intuïtieve manier te beseffen dat de wereld waar ze hem bij willen voorbij is. Ik zou willen weten hoe hij dat aanvoelde.

Welk boek zou iedereen op zijn achttiende gelezen moeten hebben?
De Elementen van Euclides. Er bestaat een reële wiskundefobie — ik gebruik dat woord niet lacherig, ik geloof dat mensen op een heel fysieke manier bang kunnen zijn voor wiskunde. Als je die hebt zou ik aanraden om bezig te gaan met Byrne’s vertaling van de Elementen omdat hij werkt met illustraties in plaats van variabelen.

Welke klassieker heeft u, tot uw grote schaamte, nooit gelezen?
De eerste vierhonderd bladzijden van Misdaad en straf heb ik binnen een week gelezen. Toen sloeg ik het dicht en heb ik het zonder reden niet meer open gedaan.

Proust of Joyce?
Joyce, met een kusje naar Proust.

Camus of Houellebecq?
Camus.

Paolo Sorrentino of Wes Anderson?
Hun toekomstige kind.

Tolstoj of Dostojevski?
Dostojevski, want dat was meer een proto-existentialist.

Ferrante of Knausgård?
Robert Musil.

Jane Austen of Virginia Woolf?
De boeken van Woolf en de verfilmingen van Austen.

Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans?
Het beschouwende werk van Hermans.

Arnon Grunberg of A.F.Th. van der Heijden?
Het beschouwende werk van Grunberg.